Waarom we onze hoed moeten afnemen voor koersende vrouwen

Werd er tot een jaar of wat geleden soms nog denigrerend gedaan over de prestaties van koersende vrouwen, tegenwoordig zitten we op het puntje van de stoel als Jolien d’Hoore, Marianne Vos en Annemiek van Vleuten hun wedstrijden rijden. Nieuw onderzoek laat zien waarom we onze hoed moeten afnemen voor koersende vrouwen: zij presteren twee keer zoveel tijd in de hoogste hartslagzone.

17/08/2018 - Tekst: Redactie // Foto's: Martin Paldan/ GripGrab/ WaowDeals Pro Cycling

Eerst terug naar een discussie van afgelopen week. Toen werden de parcoursen voor de Olympische Spelen van Tokyo (2020) voorgesteld. Waar de mannen zich op kunnen maken voor zwaar klimterrein, is de olympische wegrace voor de vrouwen aanzienlijk eenvoudiger. De Fuji-vulkaan en Mikunipas laten zij links liggen. Daardoor maken zij bijna de helft minder hoogtemeters (circa 2.700). De afstand is met 137 kilometer fors korter dan bij de mannen.

Er was in het profpeloton enige opschudding over de gemaakte keuzes. Sommige beroepsrensters wilden en willen het parcours in Tokyo juist meer gelijk aan dat van mannen hebben. “Ik ben (alweer) teleurgesteld over de verschillen tussen de parcoursen bij de mannen en de vrouwen te zien”, schreef Annemiek van Vleuten op Twitter. Ze plaatste daarbij de hashtag #equality (gelijkheid, red.).

Altijd verschil?

Is het verschil in parcoursen tussen mannen en vrouwen er altijd? Daarop kan maar één antwoord gegeven worden: ja. Neem een wedstrijd als de Ronde van Vlaanderen. De mannen reden dit jaar over een afstand van 266,5 kilometer over achttien hellingen en vijf kasseistroken. De parcoursbouwer had enige genade met de vrouwen: het parcours was goed voor 150,9 kilometer, elf hellingen en vijf kasseistroken. Volgens de regels van de UCI mag zo’n WorldTour-wedstrijd als de Ronde maximaal 160 kilometer zijn.

De vraag is nu: is de geleverde prestatie minder ontzagwekkend als we weten dat vrouwen minder ver koersen? Nee, we moeten voorzichtig zijn met het trekken van die conclusie. Nieuw onderzoek onder leiding van sportwetenschapper Dajo Sanders, ook verbonden aan Team Sunweb, toont dat vrouwen in de kortere koersafstand procentueel een veel groter wedstrijddeel op hoge intensiteit rijden.

Het onderzoek, gepubliceerd in het International Journal of Sports Physiology and Performance, keek naar wedstrijddata van twintig mannelijke profs en tien vrouwelijke profs in vier opeenvolgende jaren. Er werden 616 vrouwenkoersen en 3.024 mannenkoersen geanalyseerd. De onderzoekers keken naar het vermogen, de Training Stress Score (TSS: een parameter waarin de intensiteit en duur zijn meegenomen, voor een beeld van de totale belasting) en de Rate of Perceived Exertion (RPE: een subjectieve, persoonlijke indicatie die aangeeft hoe zwaar een inspanning is geweest).

Opzienbarende conclusies

Een paar conclusies (wie door het onderzoek bladert stuit op nog veel meer wetenswaardigheden): de mannen koersen gemiddeld 183 kilometer (4 uur en 45 minuten) en zitten minder dan 10 procent van de tijd in hartslagzone vijf, wat volgens deze studie de hoogste zone is. Ter vergelijking: de vrouwen zitten ruim 20 procent van de tijd in deze zone. Zij koersen gemiddeld 116 kilometer (3 uur en 14 minuten).

De gemiddelde hartslag bij de beroepsrensters was 152 slagen per minuut. Daarmee zaten ze op 79 procent van hun maximale hartslag dat was vastgesteld op 185 slagen per minuut. De gemiddelde hartslag bij de mannen was 133. Dat is op 69 procent van de maximale hartslag van de vastgestelde 180 slagen per minuut.

De TSS was bij de vrouwen gemiddeld 224, bij de mannen 255. Het verschil in vermogen (rekening houdend met het gewicht) bleek beperkt: 2,8 watt per kilogram bij de vrouwen en 3 watt per kilogram bij de mannen. De Intensity Factor, welke aangeeft hoe intensief de koers is geweest, toonde volgens de onderzoekers een groot verschil: 0,83 bij de vrouwen versus 0,73 bij de mannen.

Interessant is de RPE, de persoonlijke indruk van de rensters en renners zelf. Deze wordt uitgedrukt in een cijfer op een schaal van 6 tot 20. Bij zowel de mannen als vrouwen zit die op 15,4. De onderzoekers concluderen dat, ondanks de gelijke RPE en de grotere absolute inspanning, vrouwen relatief op een hogere intensiteit en meer tijd in een hogere zone presteren.

Tags:

Gerelateerde artikels