Afscheid van de Hedwigepolder

“De wegen liggen er nog, we kunnen rijden zondag”, las ik op mijn smartphone. Vooraleer in april de laatste wegen opgebroken worden en de polder teruggegeven worden aan het water, gidsen de mannen van De Roestigen Boanpioen me door de Hedwigepolder. Voor de allerlaatste keer.

07/04/2019 - Tekst: Steven Verniers // Foto's: Steven Verniers

En dus begeef ik me op zondagochtend naar Stekene, bij de Nederlandse grens. Dat ik daags voordien meer dan 200 kilometer in het zadel zat tijdens de Gent-Wevelgem Cyclo deed mijn benen niet applaudisseren om dit idee. Mijn echtgenote evenmin trouwens. Maar als het je allerlaatste kans is, moet je het ook niet uitstellen. Bij mijn aankomst word ik verwelkomd met veel confetti op de stoep. En door gemeentewerkers bladblazers die alles in mijn auto trachten te blazen. “Doe maar even, mijnheer. Ik maak me wel klaar als je gepasseerd bent.”. Confetti en stof waaien overal in het rond. Voorwiel erin en op naar de kerk, waar drie Polderberen me reeds tegemoet rijden. Die snel vanuit alle windstreken vervoegd worden door hun andere fietsmaten.

Doel als doel

Terwijl de collega’s van de Sneltrappers aan de overkant vriendelijk zwaaien, trekken we ons op gang met als doel… Doel. En de Hedwigepolder. Wind op de neus, te veel Beaufort. De windmolens gaan wild tekeer terwijl we ons langs een spoorwegbedding richting Antwerpen begeven. “Zo gaat het hier vaak!”, roept men mij toe. “Doel zien en sterven”, blijkt een vaste spreuk bij de mannen van De Roestigen Boanpioen. Die naam is trouwens een apart verhaal. Matthijs vertelt me hoe het allemaal begon. “We zijn een groep vrienden van kindsbeen af. We zaten samen in de Chiro en knutselden in onze vrij tijd ‘voertuigen’. Die moesten zonder motor aangedreven worden en vaak waren ze op het principe van de fiets gebaseerd. Eén keertje ging het grondig mis toen we een cassette wilden gebruiken, in onze streek een pioen genoemd, die verroest was en muurvast zat. Die Roestigen Boanpioen werd onze inspiratie voor de clubnaam.”.

Twee keer Doel, twee keer anders.

Ook de laatste weg weldra weg

Op de ‘poldervitesse’ naderen we pijlsnel (nu ja, enkel figuurlijk) de koeltorens van Doel. “Het dorp kan je nog in met de wagen, maar enkel na een identiteitscontrole. Anders blijven de paaltjes omhoog en lukt het niet.”, vertelt wegkapitein Denny. Met de fiets lukt het altijd. Een Ferrari wijst ons de weg. De huizen zijn er half afgebroken, vervallen. De muren staan vol graffiti. Het is schrijnend en sfeervol tegelijk. Het beeld van de idyllische molen met koeltoren op de achtergrond is treffend. “Wat verder rijden we door de Hedwigepolder”, gaat Denny verder. Terwijl we langs een boerderij rijden die afgebroken wordt, wijst hij me de dijken aan die de polder omarmen. “De weg waarop we rijden is de laatste die er nog ligt. In de polder zien we nog slechts zandwegels waar vroeger wegen lagen. Als ook deze weg er niet meer is, is het gedaan met fietsen hier. Dan wordt dit stukje natuur teruggegeven aan het water. Ik vroeg het na, en begin april beginnen ze er aan”. Er is een infopunt neergepoot, een bejaard koppel bekijkt er het infopaneel. Even verder staat een blinde muur, die deel uitmaakt van een pomphuis voor de ontpoldering. Mijn bondgenoten van vandaag reden zich daar eerder eens vast met de fiets. Gelukkig lukt het vandaag beter en word ik feilloos rondgeleid.

Zure Zoetenberm

Sommigen van de wegen op Belgische grond lijken al opengebroken te zijn. Het contrast met het gladde asfalt aan de andere zijde van de grens is sprekend. De kerk van Prosperdorp staat net als de molen pal voor de reusachtige koeltorens. De rookwolk waait strak weg in de richting die we zo meteen uitmoeten om terug in Stekene te geraken. Godzijdank, meewind binnenkort. Eventjes rijden we nog tegenwind om de kasseien van de Zoetenberm met meewind te kunnen nemen. Deze strook zal straks, in augustus, scherprechter zijn in de eerste etappe van de Binckbank Tour. De stevigste der Polderberen baant zich een weg naar voor en in zijn zog leg ik het eerste deel van de Zoetenberm af. Onwetend dat er ook een tweede deel is. Dat is niet zoet, dat smaakt zuur. Het wordt ongetwijfeld een kleurrijke grensoverschrijdende etappe in augustus. Mét wind en een haven, een Verdronken land en een kasseistrook tussen koeltorens. Met aankomst in Hulst.

Zelfgebouwde fiets

Hulst is ook onze bestemming op weg naar Stekene. Terwijl de wind ijverig duwt, praat ik met Wim. Deze laborant heeft net zijn eerste stalen fiets in elkaar geknutsel en vertelt me hoe hij met enkele stalen buizen als uitgangspunt een frame bouwde. “Ik deed al wat expertise op met de voertuigen die we vroeger in elkaar knutselden. Maar het vergt toch wat métier om een degelijk frame in elkaar te boksen, ervaarde ik. Hij is een beetje aan de zware kant, maar het stalen frame is best stijf hoor.”. Aan elk detail werd gedacht. Ook de W, van Wim, die vooraan op het frame prijkt. Het logo van Eddy Merckx, omgekeerd. Misschien moet Wim maar eens een reeks fietsen bouwen tegen de volgende editie van hun retrokoers. In “De Kampioen van de Kiekesoage”, op Kiekenhaag kermis eind september, strijden wielrenners tegen elkaar op fietsen zonder klikpedalen en met ‘vitessen aan de buize’.

In Stekene parkeren we onze fietsen tegen het chalet van de lokale tennisclub. Strava wordt opgeladen en de heren bestellen een “tennisbal” of Westmalle. “Sportdrank als een ander.” “Ik vond maar moeilijk een nieuwe cassette voor mijn 8-speed.” “Ik moet straks nog gaan werken, 25 kilometer tegenwind. Ik twijfel.”. Het gaat er amusant aan toe. Of het lot van de Hedwigepolder terecht is, laat ik in het politieke midden. Maar De Roestigen Boanpioen is wel een stukje van zijn vast parcours kwijt. En wat mezelf betreft: als je allereerste rondje in dit boeiende gebied ook je allerlaatste is, is uitstel echt geen optie.

Met dank aan FUTURUM Quality Gear, partner van deze blog.