Asturias: The Beauties and the Beast

De Vuelta a Espana toont ons jaarlijks vijftig tinten aan binnenlands bruin en één groene oase: Asturias. Elk jaar opnieuw word ik verleid door dit fotogenieke deel van Spanje. Een lokroep waaraan ik niet langer kon weerstaan. Via www.roadcycleasturias.com trek ik met een kwartet nieuwsgierigen naar het noordwesten van Spanje voor een op maat gemaakte fietsreis. Om het Beest van Asturië te temmen en de schoonheid van de regio met eigen ogen waar te nemen.

07/09/2019 - Tekst: Steven Verniers // Foto's: Steven Verniers

Alto de El Angliru en Lagos de Covadonga, namen die klinken als een Asturische koebel. Het zijn de twee ‘famous boxes’ die ik met zekerheid wil afvinken. José, de man achter RoadCycleAsturias en gedreven om zijn regio aan fietsende medemensen te etaleren, krijgt voor het overige vrij spel. “Breng me naar de mooiste cols die de streek rijk is,” luidde mijn enige verzoek vooraf.

Lost in translation

De ritten die hij me na wat mailverkeer in perfect Engels voorschotelt, zijn gemiddeld 125 kilometer lang en bevatten 2.000 à 2.500 hoogtemeters. Ronkende namen als Puerto de la Cubilla, Alto de la Farrapona en Jitu de Escerandi blijken op het menu te staan. Die eerste is trouwens een aankomst bergop in de Vuelta van 2019 en zeker een plekje waard op iedere digicorder. Asturië is niet de meest welstellende regio van Spanje en is qua oppervlakte kleiner dan Vlaanderen. Het strekt zich uit langs de Atlantische kust, links en rechts van de centrale as Gijon-Oviedo. Ver weg van de platgereden Alpencols splitsen we de fietsvakantie op in twee standplaatsen. RyanAir brengt ons naar Santander en met een taxi gaat het naar de eerste uitvalsbasis Las Caldas nabij Oviedo. Deze plek in het hart van Asturië laat ons toe om de groene regio rond de beruchte Angliru te ontdekken. De tweede locatie, Llanes, is een kustplaats in het oosten van de provincie, vlakbij Parque Nacional Picos de Europa. Van daaruit zijn zowel Lagos de Covadonga als de zee makkelijk bereikbaar. Nogal wat Madrilenen hebben er een buitenverblijf, Engels wordt er nauwelijks gesproken.

Ik voel nattigheid

De groene hoofdkleur oogt prachtig, maar komt uiteraard niet vanzelf. Asturië ‘profiteert’ een beetje van de Britse klimaatuitlopers en krijgt dus geregeld nattigheid te verwerken. Tijdens de zes fietsdagen in juni ervaar ik slechts één door en door grijze dag, vaak duurt het wel enige tijd vooraleer de mist en wolken ’s ochtends wegtrekken. Iets later vertrekken hoeft echter geen probleem te zijn want Spanjaarden eten ’s avonds erg laat. En onderweg vind je altijd wel een rijkelijk menu del dia.
Op de eerste fietsdag vergaat het me niet anders. Een grijze start is het, op weg naar Puerto de La Cubilla. Dwars door een groene oase met ronde toppen en koeien, waar de schilderachtige dorpen lukraak op de hellingen lijken te zijn neergepoot. De gekleurde huizen zorgen voor wat extra pigment in het van nature al fraaie landschap. De wolken leunen nog tegen de flanken aan. De weggetjes leiden me op een erg rustige manier - een stukje drukkere verbindingsweg niet te na gesproken - richting eerste hoogtepunt van de reis. Letterlijk, en zeker ook figuurlijk.

Beer in het verkeer

Puerto de la Cubilla La Cubilla begint, zoals wel vaker in de regio, als een Ardennenhelling te midden de bossen. Met dien verstande dat er langs de kant van de weg borden staan om te waarschuwen voor beren. Die zijn in de Ardennen dan weer minder frequent. Langzaam, heel langzaam, en met vaak wisselende percentages, vormt het landschap zich om tot een desolaat Alpenpanorama. Andere fietsers kom je er amper tegen, alleen ons groepje lijkt de berg op te rijden. Met maar liefst 27 kilometer en een hoogteverschil van 1.300 meter, valt het met de percentages nog wel mee op deze La Cubilla. Gemiddeld net geen 5% met enkele uitschieters van 10%. Boven eindigt de weg aan de grens met de provincie Leon. Aan de andere kant van de provinciegrens zien ze geen heil in asfalteren dus maak ik rechtsomkeer voor de afdaling. Dan pas komt het besef dat je wel een eind geklommen hebt en dat de afdaling heerlijk lang duurt. Op Strava zie ik ’s avonds dat we effectief de enige Stravisten zijn die de helling die dag beklommen. Die desolate sfeer die je in de Alpen nog moeilijk vindt, is hier een extra troef. Ook op lagere hoogte rij ik nog op spectaculaire baantjes. Torneria, El Torno, … Een roetsbaan langs een bergwand, je waant je in het hooggebergte terwijl je in de verte de zee ziet blinken.

De schoonheidsprijs

La Farrapona daags nadien is een soortgelijke klim die zich langs de Saliencia rivier door de vallei omhoog slingert. In 2014 viel Contador Froome hier aan om de Vuelta van dat jaar naar zijn hand te zetten. Richting top zijn er enkele haarspelden en blaast de wind me bijna letterlijk van de berg af. De route stopt ook daar met koeien, een veerooster en een onverharde ‘andere kant’. De col moet het op punten afleggen tegen La Cubilla, die het kroontje mag dragen. “De mooiste van Asturië,” had José gezegd. Met recht en rede, zo blijkt. Over Het Beest hebben we het zo meteen, de Beauties krijgen - zoals dat hoort - voorrang.

Ik zag twee meren

De tweede locatie brengt ons kwartet bij het National park Picos de Europa, in het Oosten van Asturie. Ook daar verblijven we drie dagen. De hellingen zijn nog steeds groen, maar net iets ruiger. Zowel strand als stevige beklimmingen liggen hier om de hoek, wat het een geschikte locatie maakt voor zowel een coastal ride als een rit naar Lagos de Covadonga. Twintig keer was dit al het eindpunt van een Vuelta-etappe en dus mocht deze niet op het programma ontbreken. Na de aanloop door het bos duikt een rond punt op, met een gigantische kerk ergens boven de weg zwevend. Slagbomen ook, die het doorgaand verkeer tegenhouden. De weg naar boven is betalend en velen nemen de bus, tijdens de beklimming per fiets zijn het vooral bussen die het overige verkeer uitmaken. In elk geval is het vrij rustig fietsen. Twaalf kilometer scheiden me van daaruit tot de top. Of, in dit geval, Los Lagos. De meren, twee om precies te zijn. Onderweg passeer ik de Mirador de le Reina. Ik kijk er met verwondering naar de grote hoeveelheid roofvogels die er erg dichtbij overvliegen.

Noodgedwongen rechtsomkeer

Tijdens de afdaling is het een verplichte halte om dit indrukwekkende schouwspel te bewonderen. Lagos de Covadonga heeft een wat atypisch op en neergaand einde, tot je aan het Lago de Enol komt na een korte afdaling. Lago de la Ercina ligt vlakbij, maar is niet zichtbaar. Daarvoor moet je nog even verder via een ommetje en een extra beklimming tot je op een parkeerplaats uitkomt met een kleine bar erbij. Voor velen het vertrekpunt van een wandeling, voor mij het noodgedwongen keerpunt van een heerlijke beklimming. Verder fietsen lukt het niet. Zoals wel vaker tijdens deze reis dalen we langs dezelfde weg af. Beauties daal je langs dezelfde kant af. Het Beest trouwens ook.

Wij zijn geen beesten

Op de derde fietsdag stond het Beest van Asturias op het programma. ‘Un poco de estres’ bij het ochtendgloren, want was het niet hier dat David Millar in 2002 één meter voor de eindstreep uit protest de remmen dichtkneep met de woorden: “Wij zijn geen beesten.” Le Gamonal, beter bekend als de Angliru, vertrekt in een dal waarin het dorpje La Vega ligt. Daar waar mannen vanop het trottoir nog steeds vol ongeloof kijken wanneer ze fietsers zien. Daar waar een oude dame zich met de wandelstok naar haar moestuin begeeft op de flanken van het Beest. In 1999 werd deze voor het eerst opgenomen in de Vuelta en sindsdien kreeg hij in korte tijd de stempel “monsterlijk” toebedeeld. Het eerste deel van de beklimming laat niet vermoeden dat straks de hel losbreekt. Bij de splitsing in Viapara kan je nog steeds rechtsaf vluchten en de afdaling inzetten via een andere weg dan je gekomen bent. Beslis je echter verder te gaan in het doodlopende stuk, dan word je al vrij snel geconfronteerd met de eerste echt steile strook: Les Cabanes met pieken tot 20%. De laatste zes kilometer bedragen bijna 14% gemiddeld. En in de slotkilometers gaat het over een lange strook aan 23%, wat resulteert in een kilometer aan 18%. Loodzwaar.

Koeien in de mist

Vlak voor ik dat moordende slotstuk bereik, passeer ik een Spanjaard op een Ridley. We praten kortstondig en al snel is duidelijk dat zijn fiets onze link is. Belgica! De uitzichten zijn bij momenten erg mooi, maar veel tijd om te genieten krijg je niet. De weg wordt smaller en koeien eigenen zich ook een deel toe van het pad. Naarmate we Cuena Les Cabres naderen (letterlijk 'het geitenpad'), hult de berg zich in een dichte mist. Het creëert een mythische sfeer die me in vervoering brengt. Ik zie geen vijftig meter ver meer. Elke pedaalslag is een overwinning, het geitenpad lijkt eindeloos en de gedachte tussen die koeien te laveren is niet prettig. Van dichtbij lijken hun hoornen regelrechte moordwapens en in mijn rijrichting is de weg allesbehalve een vluchtroute. De stilte is ijzingwekkend, de wil ijzersterk. La Cuena Les Cabres is het zwaarste stuk dat ik ooit op fietste. Hellingen als deze zijn boerenwegen. Ze zijn niet aangelegd in de veronderstelling dat er ooit fietsers zouden langskomen. Dat verklaart waarom ze hier erg steile aankomststroken hebben. In een regio die sowieso al niet gekend is om zijn gelijkmatige hellingen zijn de slotkilometers soms extreem.

Slechts 14%

Euforie maakt zich van me meester als ik na een minutenlange evenwichtsoefening de bocht omdraai. Slechts 14%, het voelt als een verademing. De arena naar de finish, licht dalend, wenkt. Restanten verf herinneren aan de laatste Vuelta-aankomst, de plek waar ook Contador zijn pistolero nog een laatste keer richtte. Ik richt mijn pistool ook in de lege arena. Eén Spanjaard wacht er op zijn twee vrienden en is mijn getuige. “If you were my size, I sell you my bike for one euro,” start hij het gesprek. We lachen. Lang geleden dat ik met dit gevoel op de top van een col stond. Monsters kunnen ook mooi zijn. Qua gevoel is het Beest de schoonste.

Met dank aan Futurum Quality Gear, partner van deze blog.