Cijfertjes...

Precies 550 meter, zo lang is het ommetje rond het huizenblok waarin ik woon. Met de jachthaven erbij kom je aan net geen drie kilometer. Ik weet dat uit het hoofd want ik heb die lussen al ontelbare keren aan ritten vast gebreid. Niet omdat ze onweerstaanbaar mooi zijn, maar omdat het moest.

11/03/2019 - Tekst: Luc Verdoodt // Foto's: Briek Verdoodt

Mijn bejaarde buurman begrijpt er nog altijd niks van. Na al die jaren blijft hij me verbaasd nastaren wanneer ik zijn hartelijke groet beantwoord met een zwaaihandje en vervolgens onze straat weer uit fiets. Eén keer, twee keer of drie keer. Het tafereel herhaalt zich bij iedere passage. Misschien gokt hij hoe vaak ik onze gezamenlijke oprit nu weer zal passeren alvorens de remmen dicht te knijpen. Wie weet zoekt hij naar enige regelmaat of systematiek. En neen, het is geen seizoensgebonden verschijnsel. Ik heb het nochtans al meermaals proberen uit te leggen. Tevergeefs. “Het zou toch dom zijn om na 98 kilometer te stoppen? Dan kan je beter nog een paar blokjes rond rijden tot je er honderd hebt, vind je niet?” Op zijn waaromvraag heb ik dan weer geen antwoord.

Obsessief-compulsief

Ik heb geen vast aantal shots koffie nodig om te kunnen functioneren. In een concertzaal tel ik de stoeltjes niet. Mijn leven wordt allerminst beheerst door getallen. Dankzij mijn oude cursussen psychologie weet ik dus dat het label “obsessief-compulsieve stoornis” niet op mij van toepassing is. Maar op de koersfiets word ik een ander mens. Dat komt wel vaker voor. Hijs een bedaarde man in een wielerplunje en hij waant zich coureur, strak lycra maakt niet zelden haantjesgedrag los. Gelukkig heb ik daar geen last van. Een rit beëindigen na een willekeurig aantal kilometers lukt me echter nauwelijks. Dat gaat irriteren als jeuk op een moeilijk bereikbare plaats. Zoals een dartsspeler niet mikt naar 178 of 179, maar naar One Hundred And Eighty, probeer ik thuis te komen met een rond getal op de teller.

297 is bijna 300

Enkele jaren geleden heb ik gemerkt niet de enige te zijn met dit aanwensel. Op de langste zaterdag van het jaar staat bij mijn clubje steevast de langste rit van het seizoen op de kalender. Toen we eens na 297 kilometer over winderige dijken weer bij onze wagens kwamen, stapte niet iedereen onmiddellijk van de fiets. Terwijl sommigen begerig in de koelbox graaiden, haakten toch enkelen hun wagentje bij me aan voor een bijkomende verkenning van het Zeeuwse vissersdorp. We hadden immers geen volledige dag uitgetrokken om bijna driehonderd kilometer te fietsen. En toen we een jaar later onze ambitie beknotten door de concurrentie van een voetbalwedstrijd, was ik niet alleen om nog twee keer rond de parking te rijden alvorens in een volle kroeg interesse te veinzen voor de Rode Duivels. Wat is erger: een eventuele vroege goal van De Bruyne missen of een rit afbreken na 199,2 kilometer? Voetbalfanaten, de leegte van die levens schokt me.

51 is ook mooi

Dit jaar zit ik wat achter op het traagste schema. Door een lichamelijk ongemak heb ik gedurende weken niet of nauwelijks gefietst. Zodra de artsenij het licht op groen zette, was er geen houden meer aan. Ik plande mijn wederoptreden zo dat ik zeker een stukje kon meerijden met enkele veel sterkere kameraden, kwestie van uit te vogelen hoe dramatisch het gesteld was met de conditie. Blijkt dat na een te lange inactiviteit zelfs eraf gereden worden een zaligheid is. Enfin, murw gebeukt en finaal uitgewoond nam ik na een dik uur afscheid en koos ik voor de kortste weg naar huis. De verzuurde spieren smeekten om rust: “Geen rond getal vandaag!” Ik gaf gehoor aan de verzuchting en drukte nog voor het binnenrijden van mijn dorp op de stop-toets van mijn fietscomputertje. De laatste kilometer werd niet geregistreerd. Niet om de gemiddelde snelheid artificieel op te pimpen – een andere onhebbelijkheid bij heel wat recreanten – maar omdat echte wielerliefhebbers weten dat 51 ook een mooi getal is.

Met dank aan FUTURUM Quality Gear, partner van deze blog.