De ploegentijdrit voor dummies

Vandaag wordt in het Noorse Bergen het wereldkampioenschap ploegentijdrit gereden. Raf Liekens waagde zich onlangs ook aan deze discipline...

17/09/2017 - Tekst: Raf Liekens

“Aan kop rijden is zoals onder water zwemmen: eerst lijkt het vanzelf te gaan, daarna brullen je longen en janken je spieren” Vijf minuten voor de start: zenuwen. Ik knijp een tube vloeibare suikers met cafeïne uit in mijn mond. Slokje water achterna. Nog gauw een plasje. Ik check of de eerste bocht droog ligt. Ja! Hier kunnen we straks op volle snelheid door. Eén minuut voor de start. Achter ons trappelen andere teams van ongeduld. Voor ons worden de eerste twee ploegen losgelaten. Ik hou mijn smartphone tegen mijn oor. The Way of the Fist van Five Finger Death Punch knalt door de mini-luidspreker. Mijn favoriete opwarmingsnummer voor een koers. Agressie in het lijf pompen. Die heb je nodig in een ploegentijdrit. Ik sluit mijn ogen en probeer te focussen. Amper 24 minuten zullen we onderweg zijn. Tijd om erin te komen, is er niet. Het moet er meteen boenk op zijn.

Nog 30 seconden, ik moffel de telefoon weg en ga op één lijn staan met mijn vier ploegmaats. Een hand grijpt de achterkant van mijn zadel. Ik klik links in en voel hoe de hand mijn fiets in balans houdt. Ik probeer rechts in te klikken, maar het lukt niet meteen. Nog vijf seconden. Verdorie, dadelijk mis ik mijn start nog. Klik. Oef! “Drie-twee-een. De paardjes mogen los.”

Eerst mijn vier kompanen voorstellen. Filip is een klasbak die al koerst van bij de jeugd. Een tijdritmachine met het vetpercentage van Chris Froome. Vorig jaar, toen we een gemiddelde van 44 km/u klokten in deze 17 km lange Grote Prijs Roland in Geel, was hij de motor van het gebeuren. Vandaag willen we beter doen. Kristof: nog zo’n tempobeul. Werd bij de junioren Belgisch kampioen in de achtervolging en klopte die dag Wilfried Cretskens, ex-ploegmaat van Tom Boonen. Normaal is hij motor nummer twee, maar door een sleutelbeenbreuk in het voorjaar is zijn vorm een vraagteken. Werner: snelheidsduivel pur sang. Ik ken niemand die zo lyrisch kan worden van het zingen van de ketting over een opgeblonken tandwiel of het gezoem van wielen op volle snelheid. Briek: rijdt desnoods een hele dag 40 km/u. Is het strafste in het hooggebergte en de granfondo’s, maar geeft nooit op en kan afzien als een beest.

Als een raket schiet Filip weg. De stress doet hem brutaal starten. Kristof en Briek staan op een grotere versnelling en moeten meteen een gat laten. Werner en ik duiken er zo snel mogelijk in om de schade te beperken. We zijn twintig meter ver en onze afgesproken volgorde – met de twee reuzen Filip en Kristof achter elkaar – ligt al overhoop. De anderen raden mijn gedachten. Binnen de kortste keren zitten alle schakels van de ketting weer op dezelfde plaats als in de opwarming. We duiken de eerste bocht in. Kritiek punt voor mij en Briek: aan deze snelheid zijn we bangeriken. De drie voor ons plakken aan elkaars wiel. Briek laat een gaatje. Zo snel mogelijk sprinten we het weer dicht. Het hart maakt een eerste sprongetje. En het is niet echt van vreugde. We zoeven net onder de 50 km/u tussen een spoorweg en een maïsveld. Ik maak mijn eerste kopbeurt niet te lang. Iedereen zit nog fris, de ketting werkt optimaal. Bocht twee ligt slecht. Roosters, oneffenheden, steentjes. Je moet blind vertrouwen op je voorganger, maar dat is niet evident. Ik tracht het gaatje te beperken. Ho, wacht even: rijdt dat rode team dat een halve minuut voor ons is gestart daar al? Een scheut moral giert door de groep. Aan kop jaagt Werner zijn toerenteller de hoogte in. Hier kickt hij op. Hij is een stier, onze voorgangers zijn een bewegende rode lap die steeds dichterbij komt. Dit is een monsterbeurt. Eindelijk gaat hij van kop af. Het is nu aan Briek, maar die heeft als tweede in het rijtje ook afgezien. Ik neem snel over, zodat hij zich niet kapot rijdt.

Een kopbeurt op volle snelheid is zoals onder water zwemmen. Je voelt een kleine adrenalineshot voor je springt. Enkele seconden lijkt het vanzelf te gaan. Je geniet van de snelheid die je maakt, van het klieven door lucht of water. Daarna beginnen je longen te brullen en je spieren te janken. Van de kop gaan is terug naar boven zwemmen: je bent er bijna, maar je lichaam snakt naar lucht. Het moment voor de verlossing is het pijnlijkst. Je bent snelheid kwijt, alles doet pijn en je hartslag gaat door het dak terwijl je krampachtig probeert om achteraan weer in te pikken. In de luwte kan je dan even uitblazen, voor je weer 20 à 30 seconden onder water gaat. Twee ronden loopt alles gesmeerd. We rapen ook de ploeg op die een minuut voor ons is vertrokken. Maar even voorbij halfweg verschijnen de eerste scheurtjes in onze koord. Werner heeft zichzelf met die ene knalbeurt voorbij gereden en moet even passen. Ik heb met hem te doen. Een ploegentijdrit is fantastisch, maar als je constant over je toeren moet gaan, wordt je een lijdend voorwerp. Dan is het verschrikkelijk afzien. De slotkilometer In de laatste ronde krijgen ook Kristof en Briek het zwaar. Om de rest te sparen proberen Filip en ik onze beurten zo lang mogelijk te maken. Gelukkig hangt dit team goed aan elkaar, zonder smeerlappen die willen tonen hoe goed ze zijn door de rest kapot te rijden. Wie sterker is, rijdt langer aan kop, en niet drie per uur sneller. De anderen tonen hun onwaarschijnlijk karakter: zodra het enigszins kan, schuiven ze opnieuw in om hun deel van het werk te doen. Maar het verval is merkbaar. Halfweg de laatste ronde zet ik me aan kop voor mijn laatste inspanning. Tegenwind. Ik kijk even of Briek achteraan al is ingeschoven en verhoog het tempo van 44 naar 45. Dit wil ik zo lang mogelijk volhouden. Maar het kraakt. “Ho-ho! Twee man gelost!” Ik zie Briek en Kristof op vijf meter hangen. Bekken open, gezichten verkrampt. Ik laat me afzakken om mijn fout recht te zetten en hen weer bij te sleuren. Filip neemt vooraan over. “Komaan, gij kunt dat!” brul ik tegen Briek. “Sprinten naar het wiel!” Adrenaline doet vreemde dingen met een mens. Maar het lukt. Ook Kristof schuift nog mee. We gaan dit klusje met z’n vijven klaren. Niemand gelost, niemand die moet denken ‘ik was de zwakste’. In de laatste rechte lijn rijdt Werner, die er weer is doorgekomen, naast me op kop, om de rest uit de wind te houden. Het lijkt eindeloos. Ik merk dat mijn mond zo ver openhangt dat je er een volwassen schoendoos in zou kunnen parkeren. Filip komt erover. We versnellen nog. De andere zitten nog altijd vastgebeten in ons wiel. En dan is daar de streep. Oncontroleerbaar gehijg. Gejuich. High fives. Bloedrochels. En voldoening. “44,6!” roept Filip. “We zijn vijfde van de vijfentwintig teams.” En we hebben een herinnering voor het leven. Drie dagen later zie ik Briek. Zijn kaak doet nog altijd pijn. Te hard gebeten.

Laatste artikels