Een eigenzinnig verslag van Les Trois Ballons

De volle 213 kilometer en 4.400 hoogtemeters vond ons granfondogroentje wat te dolletjes. Hij mikte in de recente Trois Ballons liever op een knalprestatie op de medio-afstand van 125 kilometer. Het werd alweer een bewogen dag. “Ik voel me als een bokser die met twee handen op zijn rug gebonden in de ring staat.”

15/06/2018 - Tekst: Raf Liekens // Foto's: Michaël Salens

Wie zei ook alweer dat je de koers in bed wint? Les Trois Ballons wordt mijn vierde medio/granfondo en ik weet intussen dat de nacht voor zo’n avontuur een verschrikking is. Maar dit slaat alles. Ik lig onder het schuine dak van een gîte op de Col de Cheyrave, in wat het slechtste bed moet zijn dat in de Vogezen te vinden is. Het hangt helemaal door, waardoor ik enkel op mijn rug kan slapen. Het is heet op de kamer, het dunne donsdeken is te warm (maar wanneer ik het wegsla, is het te fris) en ik woel en draai tot ik elk uur heb gezien. Vaste slaap? Nihil. Mijn lijf zit al vol spanning en ik slaag er niet in mijn geest tot rust te brengen. Het is m’n eigen schuld: ik heb van deze Trois Ballons een halszaak gemaakt. In mijn vorige twee granfondo’s – La Fausto Coppi en de Vélomédiane Criquélion - kreeg ik zo’n verschrikkelijke last van krampen dat ik er mistroostig van werd. Energy Lab bracht het probleem aan het licht: ik verlies meer zout dan ik kan aanvullen en ben dus enkel geschikt voor mediofondo’s. Maar ik heb beslist dat als ik morgen opnieuw moet afstappen met krampen, ik nooit van z’n leven nog deelneem aan zulke wedstrijden. Om halfvijf strompel ik naar de douche. In de keuken bots ik op andere slaapwandelaars die zich ook zo snel mogelijk willen volproppen met havermout, pannenkoeken en sandwiches met confituur. De nervositeit is voelbaar. Iedereen zit al in zijn cocon. De sérieux moet lachwekkend zijn voor buitenstaanders. “Zijn jullie profs, of wat?” Nope, maar wel bijna even fanatiek.

We parkeren de wagens op enkele kilometers van startplaats Luxeuil-les-Bains, om parkeerstress te vermijden en nog enkele kilometers te kunnen losrijden. Pas nu trek ik mijn koersbroek aan. Ik heb nogal een gevoelige poep: hoe minder ik met die pamper tussen mijn benen moet rondlopen, hoe beter. Een scheut van paniek gaat door mijn lijf. Ik ben mijn broekzalf vergeten. Gejaagd hooi ik door mijn spullen. Ah, daar zit nog een staaltje van Sportique, hetzelfde merk. Achteloos smeer ik de zalf op mijn zitvlak. Na enkele seconden dringt er zich een vreemde sensatie op. Het wordt koel onder mijn sjokkedijzen. Véél te koel. Alsof iemand met bevroren vingers op mijn perineum ligt te trommelen. Verschrikt grijp ik naar de verpakking van de zalf. ‘Cooling cream’. Duizend balhoofden en granaten, hoe stom kan je zijn! Als de wiedeweerga veeg ik de crème weer weg met een zakdoek. Mijn gezellen hebben gelukkig niks in de gaten. Hun gebulderlach kan ik missen. Plots zie ik hem liggen, onder mijn windstopper: de tube broekzalf. Ik smeer alsnog een toef op elk zitbotje en stap uit de auto. Hopelijk zorgt de combinatie van de twee crèmes niet voor ongewenste chemische reacties. Wat moet het zijn als je deze stunt uithaalt met tijgerbalsem?

De start is minder furieus dan verwacht. Tijdens de vlakke aanloop wil niemand zijn bord laten leegeten. De kopmannen van de Granfondo, die een halfuur voor ons zijn gestart, hebben allicht wel enkele ‘knechten’ ter beschikking om tempo te maken, in de medio lijkt dat niet het geval. Aan hartslag 130 is het wachten en regelmatig opschuiven, om in een goede positie aan de eerste klim te beginnen. Vanaf kilometer 46 staat de Ballon de Servance op het menu, maar vooraf krijgen we met een stevige ‘Ardennenklim’ van een viertal kilometer en de tien kilometer lange Côte de Cheyrave nog twee pittige amuses geules te slikken.

Op de eerste knik, na een twintigtal kilometer gaat de gashendel open. Het koppeloton lijkt plots op een kapseizende boot waarop spartelende matrozen kansloos de zee in glijden. Ik heb me voorgenomen om in het eerste uur niet over mijn toeren te gaan, maar zie mijn hartslag gevaarlijk dicht naar mijn omslagpunt kruipen. We zijn nog met een veertigtal renners, maar in mijn hoofd flikkeren de alarmlichtjes almaar harder. “Zou je dit wel blijven doen?” “Deze inspanningen krijg je straks cash betaald, in vieze, rosse muntjes van 1 en 2 cent. Langzaam maar zeker beukt mijn verstand op mijn koerstemperament in. Hoe ver is dat hier nog? Ach, fuck it! Ik los. Op wat achteraf een paar honderd meter voor de top blijkt te zijn. Vooraf heb ik een voedingsstrategie bepaald: ik weet perfect waar ik wat ga eten. En deze top was de plek voor mijn eerste energiereep. Ik zit alleen en wacht even op het groepje achter me. In de natte, technische afdaling vliegen we met een rotvaart naar beneden. Niet evident met een halve reep in je ene hand.

Vlak voor de Cheyrave sluiten we opnieuw aan bij de kopgroep, waar iedereen druk bezig is met eten en drinken. Daarna rijden we via een mooie, kronkelende weg tussen weilanden, stukjes bos en schattige gehuchtjes de tweede niet-gecategoriseerde klim van de dag op. De Cheyrave is een loper. Aanklampen is de boodschap. Geloste granfondorijders schrikken zich een hoedje wanneer we voorbij stuiven. Eentje lacht spottend: “Zotten!” Hij heeft een punt. Een autorit van bijna zeshonderd kilometer maken naar een mooie streek in Frankrijk, om daar vervolgens zo rap mogelijk doorheen te peren met de focus voortdurend op het achterwiel van je voorganger gericht: het heeft iets krankzinnig. Maar we zijn allemaal competitiebeesten. Een gezapige bergrit kan heerlijk zijn, maar met een rugnummer op geldt er slechts één regel: koersen!Op een steile strook, kort voor de top, demarreert een vijftiental gevleugelde klimmers weg uit de groep. Ik blijf zitten, net als veel anderen. De helden die nu wegspringen, zijn buiten categorie.

De Ballon de Servance is een knaap van veertien kilometer die je in twee stukken kunt kappen: een flauwe aanloop van zeven kilometer en een tweede deel waarin het stijgingspercentage voortdurend schommelt tusen zeven en tien procent. De dichtbeboste berg zit in de mist en het miezert. De smalle, slechte weg is bezaaid met een lange, brokkelige sliert granfondisti die traag maar zeker naar boven kruipen. Ons groepje van een man of twintig rafelt ook uit elkaar. Vooraan rijdt een Belg met een broek van Abiss. Achter hem vecht een Fransman in een witte trui om het wiel te houden. Af en toe laat hij een gaatje. Ik passeer hem, maar moet de Abiss-man ook laten gaan. De Fransman blijft aan mijn wiel kleven. Een tweetal kilometer voor de top kreunt hij: “Je rijdt een halve km/u te snel, neem me mee tot boven. Ik ken de afdaling, dan kun je volgen, en werken we in de vallei samen.” Ik antwoord dat ik beneden in Le Thillot twintig seconden ga verliezen, om twee nieuwe bidons aan te nemen (onze bevoorrader wou niet op de smalle klim gaan staan), en dat ik geen held ben in natte afdalingen. Maar om mijn goede wil te tonen, neem ik hem mee. Een bondgenoot is nooit slecht. In de afdaling moet ik hem na drie bochten laten gaan. Het wegdek is onbetrouwbaar. Ik daal zo snel ik kan, maar zonder onverantwoorde risico’s.

Na tweederde afdaling verkrampen mijn rechter hamstrings plots bij het nemen van een bocht. Mijn uitstekende moral ploft in mijn schoenen. Het zal toch weer niet waar zijn, we zijn hoop en al twee uur onderweg?! Ik slik een zoutpil en drink mijn tweede bidon leeg. Niet panikeren. Beneden krijg ik van onze bevoorrader twee nieuwe drinkbussen, waarvan eentje een tablet bevat met zouten en elektrolyten. Als ik even de tijd neem om dat te laten ‘inzinken’ kom ik er op de Ballon d’Alsace misschien weer door.

De tien kilometer lange vallei is een frustrerend intermezzo. Mannen die ik er net heb afgeklommen, zoeven me voorbij. Zelf kan ik niet sneller dan 25 km/u. Ik tutter mijn zoutbidon halfleeg, eet nog een reep en probeer mijn benen zachtjes te laten malen. Na een tijd ebt de verkramping weg en kan ik opnieuw kracht zetten. Bocht naar rechts: hier begint de negen kilometer lange Ballon d’Alsace, met een gemiddeld percentage van bijna zeven procent. Ver voor me rijden enkelingen, achter me ontwaar ik de lichtgroene trui van Erik, een 57-jarige streekgenoot die al jaren geweldige uitslagen bij elkaar fietst in dit soort werk.

Ik slaag erin om weer een stevig tempo te ontwikkelen en een paar jongens terug te pakken. Boven staat de Fransman in zijn witte trui aan de bevoorrading. Ik stop, laat mijn bidons vullen (eentje water, eentje sportdrank), duw een halve banaan in mijn mond en vier Tuc-koekjes in mijn achterzak, en duik de afdaling in. Weer nat. Weer met dichtgeknepen billen. Is het dat wat mijn spieren doet verkrampen? Of de afkoeling? Na twee haarspeldbochten heb ik opnieuw prijs. Mijn rechterbeen wil nog amper plooien. Helaas zijn mijn zoutpillen op. Die dingen wegen niks: waarom heb ik er geen drie in mijn achterzak gestoken?

Betere dalers zoeven me voorbij. Ook in de vallei zijn de krampen nog niet weg. Opnieuw verlies ik minuten. Jongens die me inhalen tegen 35 à 40 km/u manen me aan om in hun wiel te kruipen en elkaar af te lossen. Maar zodra ik aanstalten maak om aan te sluiten, schiet de kramp er opnieuw in. Ik voel me als een bokser die met twee handen op de rug gebonden in de ring staat. Op een bord staat dat het nog twintig kilometer is. Rustig blijven. Eten, drinken, en hopen dat het dadelijk weer beter gaat.

Na een kwartier sukkelen word ik opgeraapt door een groep van een twaalftal renners. Ze rijden op een lint en ieder z’n deel in de wind. Stilaan kom ik er weer bovenop en ik waag me aan een kopbeurt. Wat later doemt de verschrikkelijke La Planche des Belles Filles op: 5,7 km aan een gemiddelde van 8,4%. Al zegt die statistiek niet zoveel. De col wisselt gruwelijk steile passages af met stukken waarop je enigszins kunt recupereren. Normaal is dat spek voor mijn bek, ik heb achteraan een 32 zitten. Maar ik vrees dat ik dadelijk te voet sta. De drie betere klimmers maken zich onmiddellijk los. Ik durf voorlopig niet mee te gaan.

Oei! Iemand staat dwars over de weg, naast zijn fiets. Het is de Fransman met het witte shirt. Zijn pijnlijke grimas zegt alles. “Krampen”, zucht hij. “Vertel mij wat, vriendje,” denk ik. Maar ik trek een spijtig gezicht en zeg dat hij moet volhouden.

Tjonge, wat een klus is dít. Ik mag er niet aan denken dat ik hier na tweehonderd kilometer en een uurtje of acht in het zadel nog naar boven zou moeten, zoals de grandfondisti. Wij zijn intussen ook al vier uur op weg. Ik vind mijn ritme van op de Alsace weer terug. Op de steile stukken schakel ik een tand groter en klim ik dansend op de trappers, op de flauwere passages wentel ik op souplesse verder. Ik voel me allesbehalve leeg. Tijd om de laatste geut uit mijn emmer te kletsen. De drie dapperen uit onze groep heb ik alweer opgepeuzeld en voor me rijden nog enkele haalbare ‘prooien’. Op twee kilometer van het einde zie ik Erik opnieuw. Hij is me in de vallei voorbijgesneld, maar dit steile onding is geen spek voor zijn bek. Hoeveel sympathie ik ook voor hem heb: hij moet er nog aan.

Ik geef alles, aan krampen denk ik niet meer. Na een licht dalend stuk laat ik de ketting op het buitenblad liggen om de daaropvolgende knik van een achttal procent volle bak op te stormen. Erik pikt aan, maar kraakt na een tiental eindeloze seconden. Nog één bocht. Ik schrik me rot: een muur van twintig procent! En daarboven, ver daarboven een rode finishboog. Vanmorgen had iemand me verteld dat de finish vóór de verschrikkelijke uitloper van twintig procent zou liggen. Dat valt dus vies tegen. Een voorligger klautert het ‘La Redoute’-stuk al zigzaggend op. Hij heeft geen 32. Ik zit à bloc, maar dit kan er nog wel bij. Het moét. Briesend als een hond kom ik boven. Ik buig mijn hoofd en ontvang de medaille. Een gelukzalige grijns laat zich niet langer verdringen, het besef dat het gelukt is valt als een warm deken over me heen. Bij de ontvangst van het diploma krijg ik mijn plaats te horen: 38ste, in een tijd van 4u37, met een gemiddelde van 27,??. Ondanks de krampen, die ik ooit hoop te vermijden, kan ik daar best mee leven.

De mediofondo rijden betekent ook dat je langer kunt genieten van de unieke sfeer aan de finish. De aankomst van de granfondo-toppers zorgt voor extra animo. Ex-prof Francis De Greef is hier de gewone stervelingen komen afdrogen. Het Grinta! Granfondoteam zorgt voor mooie ereplaatsen bij de mannen, en pakt met Ils Van der Moeren de zege bij de vrouwen. Maar iedereen heeft zijn verhaal, dat maakt granfondo’s zo mooi. De vrienden met wie ik naar hier ben gereisd hebben allemaal wat meegemaakt: valpartijen, mechanische pech, inzinkingen, krampen, verkeerd gereden, hyperventilatie, buikkrampen.

Erik is tweede geworden in zijn categorie en geeft me nog twee gouden tips cadeau. “Wat er ook gebeurt, in een granfondo mag je nooit opgeven. Je moet altijd blijven verdergaan.” En: “Als je krampen hebt, moet je groter schakelen, zodat er weer meer spanning op je spieren komt.”

Ik weet het nu zeker, ik ga dit nog meer doen. Met meer zouttabletten. En zonder cooling cream aan mijn kersen.