Een weekend in d' Ardennen, tussen mellow en sweet

De Côte de Stockeu, de Col du Maquisard, de Haute Levée en de Rosier liggen op een steenworp van Stavelot. Net als zoveel andere beruchte hellingen. Drie dagen vertoefde ik er, ideaal voor een prachtige, korte fietsreis. Ik wist ze dan ook allemaal netjes te vermijden.

23/05/2019 - Tekst: Luc Verdoodt // Foto's: Stijn Dries, Alex Driesen, Zeno Van Duppen en Luc Verdoodt

Mooi weer coureurs

Een weekend naar de Ardennen met de Mechelse Dijkstampers, dat biedt perspectief. Verandering van decor en eindelijk nog eens gebruik maken van de binnenplaat. Ik twijfelde geen seconde om me in te schrijven. "Op vrijdagavond lunchen en vervolgens twee dagen op pad," stond er in de aankondigingsmail. Goed, maar dat kan beter. Waarom twee dagen fietsen als het drie dagen kan? Voorafgaand aan de groepsritten zou ik per fiets naar standplaats Stavelot rijden, de pastamaaltijd niet alleen betalen maar ook verdienen. Mijn voornemen vond al gauw gehoor bij enkele clubgenoten. 165 kilometer, de perfecte duurtraining. “Als het mooi weer is.” Tuurlijk. Quod non.

Mannen maken plannen

Afhankelijk van de gebruikte weer-app zou het de hele dag regenen of miezeren, de temperatuur een graad of vijf te laag voor de tijd van het jaar. Zes uurtjes gezellig fietsen wordt dan snel ingeruild voor anderhalf uur autosnelweg in een volgestouwde wagen. Heroïek is voor de boekskes. Bij het binnenrijden van Coo, de deelgemeente van Stavelot waar etablissement ‘Le Coffee Ride’ is gevestigd, valt de zon ondertussen pal op de voorruit en voelt het meteen behaaglijk warm aan. Hemel en gemoed klaren op. De straat ligt er droog bij. Het plan om nog een ritje te maken wordt alsnog ambitieus bijgeschaafd. Honderd kilometer moet zeker lukken, een retourtje Monschau, bijvoorbeeld. We zijn met vier en komen verrassend vlot tot een consensus. GPX-bestandje laden en weg. Alleen over de klederdracht wordt getwijfeld. Korte broek? Regenjack? Overschoentjes?

Na pakweg drie kilometer weet ik al dat het tijd is voor Plan B. Richting Moulin du Ruy, op de heuvelrug van de befaamde Rosier, loopt de weg omhoog. Niet bruusk, niet steil, niet onoverkomelijk, maar wel voldoende om aan te tonen dat mijn metgezellen vlotter bergop rijden dan ik. Omdat niemand van ons zich wekelijks een fietsweekend kan veroorloven, heeft het geen zin om rekening te houden met de zwakste schakel. Elkeen moet het maximum uit zijn vakantietje kunnen halen, dus verbied ik ze op mij te wachten, wat ze aanvankelijk wel deden. Enkele jaren geleden nam ik het besluit nooit meer te willen afzien op de fiets, een beslissing waar probleemloos mee te leven valt. De periode dat mijn ego gekrenkt werd door snellere fietsers is al lang voorbij. Bevrijd van prestatiedruk peddel ik verder. Net genoeg laagjes aan, niet teveel wind. Het is vrijdagnamiddag en voor de meeste mensen is de werkweek nog niet voorbij. Ik kronkel over de glooiingen rond Longfaye en prijs mij gelukkig.

Surrealisme

Omdat ik de vooropgestelde route heb verlaten, vertrouw ik op mijn aangeboren talent voor oriëntatie. Bovendien was ik ooit onderofficier bij de verkenners van het Belgische leger. Wat kan er fout gaan? Niks, behalve dat mijn ogen de kleine lettertjes op het schermpje van mijn GPS niet meer kunnen ontcijferen. Dus richt ik me op de plaatsnamen van de dorpjes die ik doorkruis, ik positioneer ze naar best vermogen op de virtuele landkaart in mijn geheugen. Ik heb hier immers vaker gefietst, dat loopt wel los. Tot ik het kerkje van Ovifat voor de tweede keer in het vizier krijg. Bij Sourbrodt neem ik het zekere voor het onzekere, geen heuvels meer maar de rechte lijn van de Vennbahn – een fietspad dwars door de Hoge Venen – moet me weer naar af leiden. Het wolkendek sluit zich en de temperatuur zakt naar kil. Geen idee hoever ik nog van het pension verwijderd ben. Een koppel bikepackers dat zich na een pauze opmaakt om weer aan te zetten, kan me meer info verschaffen. Maria en Jan verzekeren me dat ik in de juiste richting rijd. Nog hooguit dertig kilometer, schatten ze. Zij komen uit Oostenrijk en Slovenië en willen weten waar ik vandaan kom. “Aus Belgien? Und Sie fragen uns, wohin Sie gehen …“ Weten Oostenrijkers en Slovenen dan niet dat Belgen de surrealisten onder de Europeeërs zijn?

Citius, altius, fortius, ... quietius

Dag twee begint met regen. Veel regen. Het ontbijt loopt uit. Ons gezelschap is gisteren gestaag aangegroeid tot meer dan twintig eenheden en het blije weerzien heeft geleid tot misschien wel een rondje streekbier teveel. Niemand voelt zich geroepen om de groep op sleeptouw te nemen. Pas na de middag klaart het op en worden de fietsen uit de stalling gehaald. De Dijkstampers beoefenen het cyclisme à deux vitesses. De cyclorijders en springveren willen immer citius, altius, fortius. Een ander deel verzoent zich met quietius. De uitbater van de herberg heeft routes uitgestippeld naar ieders vermogen en verzuchtingen. Groep één hakt de knoop door en gaat voor ‘The Switchback Ride’, 92 kilometer lang met een strookje gravel en net geen 1.800 hoogtemeters. Groep twee, mijn habitat, twijfelt tussen de ‘Sweet Loop’ en de ‘Mellow Ride’. ‘The Sweet Loop is made for those who need an easy, relax or recovery ride on nice roads without too crazy climbing. Level: For all type of riders.’ Verkocht!

Merckxiaans?

Op de keitjes in het centrum van Stavelot herken ik de voet van de Côte de Stockeu, de hardnekkige helling waarop een monument ter ere van Eddy Merckx is neergepoot. Precies vijftig jaar geleden won hij zijn eerste Ronde van Frankrijk nadat hij enkele weken voordien ook voor het eerst op dopinggebruik was betrapt. Op het beeld staat een greep uit zijn palmares vermeld, een indrukwekkende lijst. Terwijl wij links de Chemin du Chateau kiezen, vraag ik me af of Lance Armstrong ooit dezelfde eer te beurt zal vallen, een gedenkteken dat als trekpleister dient voor ontzagvolle fietsers en wielerliefhebbers. Vast niet. Andere tijden, andere zeden. De alternatieve klim uit het dal is ook best pittig, maar door de samenstelling van ons groepje behoor ik vandaag tot diegenen die bij de top op achterblijvers wacht. Klimmen is prettig als je zelf de cadans kan bepalen. Zelfs in de regen. Vertrekken met neerslag is een vorm van zelfkastijding, maar eens je onderweg bent valt een bui best mee. Op de Côte de la beurrerie in Vielsalm reageren mijn benen zowaar spontaan op een spielereitje van de sterkste kracht van de kliek. Vlak voor de top plafonneer ik aan zijn achterwiel, maar ik geniet. Bergaf zakt de hartslag verbazend snel. Regelmatig fietsen is echt goed voor lijf en leden.

Life is sweet

Uit de tegengestelde richting duikt plots een groepje ware atleten op. Ze gaan heel snel. Ik herken de toppers waarmee ik aan de ontbijttafel zat, maar stel vast dat hun gelederen fel uitgedund zijn. Ze hebben onderling een slagveld aangericht. Tussen pot en pint zullen de wedstrijdverslagen me later om de oren vliegen. Herkenbaar en charmant. Bij het hotel schijnt de zon, een tuinslang helpt bij het poetswerk. Er staat barbecue op het menu en het clubbestuur heeft voor verrassingen gezorgd. We krijgen bidons, petjes en knappe nieuwe shirts. Witte. Voor de fotoshoot wordt menig buikje ingetrokken. Life is sweet.

Het ware clubleven. Eerst de arbeid, dan tijd voor decompressie.

Klimmen als een trein

Hoe kan je in een heuvelachtige streek toch met een divers gezelschap fietsen zonder onmiddellijk verbrokkeling te veroorzaken? Door een lusje rond een meer te rijden, bijvoorbeeld. Onder een frisse, haast wolkenloze lucht showt een peloton fier de nieuwe petjes, de zomershirts verborgen onder meerdere lagen textiel. Na de proloog rond het meer van Coo begint de eigenlijke rit van 135 kilometer. Een shortcut is mogelijk. Tig keer ben ik van standpunt veranderd. De volledige afstand afwerken of bij de grupetto van de dag voordien blijven? Het grootste hoogteverschil wordt al vroeg overwonnen, via een RAVel klimmen we twintig kilometer lang aan twee à drie procent. Dat is het stijgingspercentage dat treinen aankunnen en dat ik blijkbaar ook aankan in een sportieve groep. Enkele helden van het brute geweld klagen over zware benen en roepen naar de loodsen dat het trager mag. Mijn twijfel neemt toe. Ik voel me kiplekker. Wanneer in Waimes de knoop moet worden doorgehakt, wint de rede het van het sentiment. Het is goed toeven in de luwte.

De eeuwige jeugd

Tot Thommen, via Sankt Vith, zit de wind mee en is er geen activiteit denkbaar die aangenamer is dan cruisen door de Oostkantons. Vanaf Beho gaat het bergaf tot de aankomst, even geleidelijk als de beklimming. Tot blijkt dat de wind fors is aangewakkerd en pal op de neus blaast. De afzink naar Coo is daardoor één lange bijtrapafdaling. Stijn, die absoluut niet had misstaan in de snelle groep, wil zijn training opleuken met een portie beulenwerk. Telkens ik een kopbeurt overweeg en me even uit zijn slipstream waag, slaat een stevige bries me om de oren. Ook op de vlakke stroken blijft het hard gaan, het gemiddelde klimt opnieuw boven de 28 km/u, ondanks de 800 hoogtemeters die achter ons liggen. Net wanneer ik de remmen wil dichtknijpen om een geslaagd weekend af te ronden met een welverdiende cappuccino, hoor ik een plannetje opperen. “Als we nog twee keer rond het meer rijden, hebben we er honderd.” Niemand protesteert. Met kinderlijk genoegen draaien we de dam op. Mannen op een koersfiets hebben de eeuwige jeugd. Ongeacht hun niveau.

Met dank aan Futurum Quality Gear, partner van deze blog.