Elfstedenkoorts

Eén keer de Elfstedentocht kunnen schaatsen, dat is de ultieme droom van alle Friezen. Omdat de klimaatopwarming de geneugten van bevroren lichaamsuiteinden en het klunen langs vervaarlijke wakken definitief in de weg lijkt te staan, nemen ze noodgedwongen vrede met een versie op de fiets. Elk jaar op pinkstermaandag klikken duizenden noorderlingen zich vast in de pedalen om hun geliefde provincie te doorkruisen. Elfstedenkoorts noemen ze dat, een licht besmettelijke aandoening.

21/06/2019 - Tekst: Luc Verdoodt // Foto's: Stijn Dries, Maarten Van Dromme, Floris Lauwens en Luc Verdoodt

Het is amper 6 uur in de ochtend en de eerste regendruppel heeft zich al een weg gebaand tot diep in mijn rechter raceschoen. Het pad is geëffend, velen zullen volgen. Ik vroeg het me al af toen ik voor dag en dauw calorieën zat te bunkeren en nu opnieuw: Was er echt geen betere manier om een vrije feestdag door te brengen?

It giet oan!

Misschien wel, maar ik ben zeker niet de enige die ondanks het belabberde weer besloten heeft langs elf Friese steden te fietsen. Alleen al in startgolf 10 staan mijn vijf clubgenoten en ik opeengepakt met ongeveer 644 andere deelnemers. Om 5 uur stipt heeft groep 1 groen licht gekregen. Met telkens een tijdsinterval van 8 minuten volgen nog tweeëntwintig pelotons. Allemaal hebben we tig keer het weerbericht gecheckt en toch is iedereen tot een andere conclusie gekomen. Ik zie fietsen mét en zonder spatbordjes. Fietsers mét en zonder regenjacks, blote benen, overschoenen, korte mouwen, thermojassen. Goed gekozen of niet, er is geen weg meer terug. Letterlijk. De ruimte is beperkt, van fietsen is hoegenaamd nog geen sprake. Alle straten van start- en aankomstplaats Bolsward zijn dichtgeslibd. Met ministapjes vorderen we richting eerste controlepost. Daar krijg je een stempel op je persoonlijke stempelkaart, pas daarna kan je echt aan de Friese Elfsteden Rijwieltocht beginnen. Miezeren wordt regenen. Ik denk aan de legendarische woorden waarmee Henk Kroes, de voorzitter van de organiserende vereniging, in 1997 aankondigde dat er een vijftiende schaatstocht zou plaatsvinden: “It giet oan!” Gieten heeft meer dan één betekenis.

Plop en Kwebbel

Bij het verlaten van de stad merk ik dat het niet evident wordt om als club samen te blijven. Onze vertrouwde strijdkleuren zitten weggemoffeld onder niet-uniforme beschermende lagen en vallen dus niet op in de bonte meute. Bovendien is het concept van de geroemde Hollandse fietspadboulevards niet helemaal doorgedrongen tot in Friesland. Friezen gaan er prat op geen Nederlanders te zijn en dat lijken ze te willen onderstrepen door smallere fietspaden aan te leggen, de maatvoering hebben ze in Vlaanderen gehaald. Ondanks de opsplitsing in golven raken we daardoor vrijwel meteen verstrikt in een lang lint dat zich traag verzet tegen een stevige kopwind. Inhalen is moeilijk. De elfstedentocht is bovendien geen reguliere toertocht voor wielertoeristen en al helemaal geen granfondo met een wedstrijdcomponent. Integendeel. Om te voorkomen dat er wordt gekoerst zijn er tijdslimieten ingebouwd. Om bijvoorbeeld in Dokkum een vijfde stempel te ontvangen, moet je minstens 3 uur onderweg zijn. 3 uur voor 77 kilometer, dat is -even rekenen- niet bepaald ontzagwekkend. Door het atypische karakter trekt de tocht al even atypische deelnemers aan. Kabouters Plop en Kwebbel op de tandem, een boer met houten klompen op een damesfiets, … kom je niet tegen tijdens de toerversie van De Ronde.

Vincere insieme

Net niet strak afgetrainde zenuwlijders op te dure fietsen, die zijn er natuurlijk ook. “Rechts houden, rechts houden.” Je kent ze wel. Ergerlijke types. Tot vandaag. Mijn gezellen en ik banen ons nu even hatelijk een weg links van de sliert. Roepend, in ieder gat duikend dat er is of er zou moeten zijn. Gezeten op een koersfiets verplicht de tijdslimiet overschrijden – hoe tegennatuurlijk het ook mag zijn – blijkt uiteindelijk niet eens zo moeilijk. Bij de stempelposten verlies je hoe dan ook ettelijke minuten waardoor even later het gas weer open kan zonder op het strafbankje te belanden. We maken behoorlijk vaart waar het kan. Op de bredere wegen, doorheen de eindeloze polders, heeft de vier (vijf?) beaufort vrij spel en troepen de deelnemers in kliekjes samen. We profiteren van de ontstane ruimte om van die trosjes mikpunten te maken die we vervolgens inrekenen, voorbijsnellen en achterlaten. Tactisch beschut het bord van de anderen leeg eten, aanpikken bij snellere passanten, wel de oversteek maken naar het volgende groepje wanneer de leider zijn cadans hoekiger wordt, … Ik heb het zo druk dat het me pas opvalt dat het luchtruim is opgeklaard wanneer ik bij een oponthoud de meeste regenjacks in de achterzakken zie verdwijnen.

Flirtgedrag

Koud was het ook bij de start niet, maar de eerste schuchtere zonnestraaltjes voelen toch lekker aan op de natte rug. Als de meteorologische omstandigheden deze kentering volhouden, ben ik opgedroogd voor het einde van de eerste lus. De tocht heeft namelijk de vorm van een omgekeerde 8. Van Bolsward gaat het via Harlingen en Franeker tot Holwerd, het meest noordelijke punt van het traject. Daar buigt het parcours zich via Leeuwarden weer af naar Bolsward. Na 140 kilometer begin je daar aan een tweede, korter rondje. Zuidwaarts, dit keer. Maar voor we zover zijn, is de wind na de eerdere pesterijen aan een wiedergutmachung begonnen. Gezien de duur van de rit heb ik voor mijn titanium fiets gekozen, die is uitermate geschikt om comfortabel te cruisen. Een racefiets is het echter niet en aangezien we voortdurend met de veertig per uur flirten, mis ik good old Mister Fifty-three vooraan.

Friese rugwind vraagt om een 53.

Rockers en een charmezanger

Onze blauw-gouden garde draait gesmeerd, ik geniet van elke meter. En al helemaal van de passages door dorpen en gehuchten. Friezen die geen startbewijs hebben bemachtigd – een loterij beslist hierover – komen massaal de straat op en moedigen iedereen aan alsof er voor een regenboogtrui wordt gestreden. Een bandje op een geïmproviseerd podium speelt potige rock, straten zijn overspannen met vlaggen, een gebuisde charmezanger op leeftijd zingt door een luide karaokemachine en krijgt voor één keer wel appreciatie terug. Waar huizen staan, staan toeschouwers. Gejuich en applaus. Kinderen gaan voor het record high fives verzamelen, volwassenen doen enthousiast mee.

Appels, pepermunt en pindasaus

Een man in overall maant ons aan snelheid te minderen. Bij de hoeve iets verderop hebben kinderen postgevat die frisse, zurige appels aanreiken als waren het bidons. De Friesche invulling van het begrip ravitaillering is een bijkomende eigenaardigheid. Er zijn sinds enkele edities weliswaar twee bevoorradingsposten met sportdrank en gelletjes ingeplant, maar de kommetjes soep en rolletjes pepermunt die je elders krijgt aangeboden, zijn eerder charmant dan geschikt. We besluiten een koffiebreak te houden. Iets na het middaguur gaat de riem eraf. Bij onze wagens, geparkeerd in de buurt van het kruispunt van de “8”, hebben we droge zomershirts aangetrokken, de watervoorraden aangevuld en peperkoek ingeslagen. Maar het teveel aan zoete troep vraagt om compensatie door hartiger spul. Voorbij Sneek – waar de sfeer van het Criterium van Aalst door de stad waart – palmen we een tafel in de zon in bij de eerste de beste snackbar. Ik bestel een broodje kaas-ham, maar weersta evenmin aan gebak met slagroom. De ploegmakkers laten frieten, burgers en onbestemde vunzigheden met pindasaus aanrukken. De laatste veertig kilometer zal de wind opnieuw pal op kop staan, weet ik. Dat belooft interessant te worden.

Eens coureur, altijd coureur

Je kan de man uit het peloton halen, maar het peloton niet uit de man. Klinkt dat niet als een eeuwenoude wielerwijsheid? Eén van ons heeft een verleden als niet-onverdienstelijk jeugdrenner en dat merk je. Hij heeft de tred van de renner, remt later of niet waar anderen paniekerig haast tot stilstand komen en snijdt bochten perfect aan. Nu het einde van de rit nadert krijgt de ex-renner te kampen met een onweerstaanbare dwang. Hij glijdt rakelings tussen voorliggers en gebruikt hun slipstream als brandstof. Een lust voor het oog. De drang vooruit is niet langer te stuiten. Bij weer een versnelling hoor ik de retorische vraag: “Is dat hier koers, ofwa?” Enkelen spartelen niet meer tegen. Anderen willen wel nog even mee. Dan ontspint er zich een spel met elleboogjes om over te nemen en hoofdschuddend reageren. Een blik suggereert: “Ik kan nog uren doorgaan, jij ook?” Tot een smalle chicane en de niet aan kracht inboetende windstoten elk van ons op de juiste plaats in de pikorde positioneren. Bij de laatste stempelpost, in Workum, hergroeperen we. Het publiek staat er rijen dik. Ze vergapen zich aan de ellenlange parade van wielertoeristen en gelegenheidsfietsers. Je kan er plaatjes schieten als was het Tourpeloton in aantocht. Een symptoom van Elfstedenkoorts?

Losrijden / los rijden

“De laatste twaalf kilometer rijden we samen, OK? Beetje losrijden.” Prima. De luchtstroom is jammer genoeg slecht geluimd en wij zullen dat uitzweten. Losrijden kan helemaal niet. Mijn hartslag knalt omhoog van zodra ik een kopbeurt aanvat. Er hangt een anker aan mijn achterwiel. Als tractors in een Trekkertrek-wedstrijd wroeten we ons naar de finish. Tot er zich een achttal naast ons posteert. Naast. Voor. Sneller. Je hoeft niet Nostradamus te heten om te voorspellen hoe dat afloopt. De oorlogsverklaring wordt beantwoord. De grootst mogelijke versnelling moet en zal worden rondgedraaid. Ik zit plots middenin een krachtmeting met aanvallen en schijnaanvallen. Gelukkig is de laatste kilometer afgezet met nadarafsluitingen want we gebruiken de hele breedte van de weg. De finishboog, het publiek en de kermissfeer boren bronnen machismo aan waarvan ik het bestaan niet vermoedde.

Kanjers met Elfstedenkoorts.

Gouden jubileum

Terwijl we een kwartier later een soortement erepodium beklimmen voor de obligate foto met medaille, horen we de presentatrice door de speakers galmen. “Bravo, je bent een kanjer. Schitterend. 235 kilometer, knap gedaan. Mooi. Er zijn al tweeduizend fietsers gearriveerd. We gaan dus nog even door.” Haar bezieling is grenzeloos. We bestellen pils en cola en zoeken een vrije bank op het voor de deelnemers afgebakende terras, de toeschouwers kijken toe vanachter een hek. Tijd voor een evaluatie. We komen snel tot een eensgezind oordeel: je moet ‘m zeker eens gereden hebben, maar om nu ieder jaar naar Bolsward te reizen ... “Proficiat, meneer. Ik zie een prachtig lint om je hals. Hoe vaak heb je hem al uitgereden?” De stem uit de boxen slaat over van geestdrift. “Dit was mijn vijftigste Elfstedentocht, mevrouw.” Een kanjer, uiteraard. Met chronische Elfstedenkoorts.

Met dank aan Futurum Quality Gear, partner van deze blog.