Lees in uw kot

Je wordt niet beter van de kilometers op de fiets, maar van de rust tussen je trainingen. Dat is een wielerwet die we nu perfect kunnen toepassen. Door de semi-lockdown is er tijd genoeg om lui te recupereren van de gedane arbeid. Daarom stellen onze bloggers de volgende weken hun drie favorieten wielerboeken voor. Want in een gezond lichaam hoort een gezonde geest.

10/04/2020 - Tekst: Luc Verdoodt // Foto's: Luc Verdoodt

De nieuwe fiets

Dirk Jan Roeleven

Tijdens een vakantie in Italië krijgt de jonge Dirk Jan af te rekenen met een banaal mankement. Hij scheurt een voetriempje van zijn oude koersfiets. Omdat de handelaar hem de nieuwe riempjes niet wil aanrekenen, belooft hij ooit te zullen terugkeren om een op maat gemaakte fiets te kopen. En om met die fiets terug naar huis te rijden.
Veertien jaar later lost Roeleven die belofte in en begint hij op zijn bloedrode Cucchietti aan een solo van Dronero in Italië naar Amsterdam. De auteur - in het dagelijkse leven een documentairemaker - is geen afgetraind atleet en het weer zit niet bepaald mee. De reis verloopt daardoor minder romantisch dan hij zich had voorgesteld. Maar de confrontatie met onvoorziene omstandigheden en het alleen op pad zijn, bieden wel ruimte om eindelijk eens stil te staan bij wie hij is geworden, het leven dat hij leidt en de vergankelijkheid ervan. De dood van een jonggestorven vriend blijkt nog niet helemaal verwerkt en alhoewel zijn vader is gestorven aan longkanker, kan de hobbyfietser niet weerstaan aan de verleiding van sigaretten.

Toch is het boek niet zwaar op de hand, het zit vol met wielerweetjes en liedjesteksten die al trappend bij de schrijver opborrelen. De nieuwe fiets is geen epos vol straffe prestaties, wel integendeel. Het is een reisverslag van een mens van vlees en bloed die zielsveel van zijn (nieuwe) fiets houdt en beseft dat het onderweg zijn net zo belangrijk is als het bereiken van de bestemming.

Thomas Dekker, mijn gevecht

Thijs Zonneveld

Thomas Dekker is niet de Nederlandse Frank Vandenbroucke, al heeft hij bijzonder veel gemeen met VDB. Allebei rot getalenteerd, maar geëindigd met een palmares dat nog niet half zo groot is als wat iedere kenner had voorspeld. De strijd aangaan met de concurrenten, dat lukte nog wel, maar afstand nemen van de demonen genaamd drank, drugs, doping en depressie bleek moeilijker.
In tegenstelling tot VDB is Dekker er wel in geslaagd om zijn aura van godenkind af te leggen en aan zelfreflectie te doen. Misschien omdat de auteur van dit boek - ex-renner en wieleranalist Thijs Zonneveld - hem ertoe heeft gedwongen. Zonneveld maakte namelijk de afspraak dat hij Dekkers levensverhaal enkel zou optekenen als hij niets zou achterhouden. Het resultaat is een pageturner geworden die door sommigen wordt gezien als verraad aan het milieu waarin Dekker nochtans graag vertoefde, maar die net zo goed kan worden gelezen als een afrekening met het eigen donkere verleden.

Het boek werd Dekker en Zonneveld niet in dank afgenomen door de wielerwereld. Hoefden ze werkelijk alle figuranten met naam te noemen? En het moet gezegd, Zonneveld gaat de sensatie niet uit de weg - na het lezen zal je beeld van bijvoorbeeld Michael Boogerd en Steven De Jongh nooit meer hetzelfde zijn - maar het is toch vooral van Dekker zelf dat er geen fraai beeld wordt opgehangen. Dat is misschien een flauw excuus maar het draagt wel bij tot de geloofwaardigheid van het relaas.
Mijn gevecht is wat mij betreft dan ook geen schandaalboek dat de wielersport in een kwaad daglicht zet. Het is veeleer het verhaal van een jonge hemelbestormer met een onstilbare honger naar meer, die met zichzelf in de knoop raakt en er maar moeilijk in slaagt om uit de zelf gedolven put te klauteren. De koers is het decor waartegen dit rauwe scenario zich voltrekt, het is geen boosaardig personage dat de beloftevolle renner ten gronde richt. Dekker vergoelijkt zijn misstappen niet door de schuld bij anderen te leggen, nooit lees je: “ik moest wel”. De wielrennerij komt er niet altijd goed uit, maar Dekker laat er geen twijfel over bestaan dat hij alle foute beslissingen wetens en willens zelf heeft genomen. Precies daarin verschilt dit boek met veel andere sportbiografieën die kritiekloos blijven ten aanzien van de grote held. Wanneer de journalist die de pen hanteert teveel overlapt met de supporter, krijg je flets proza.  Niets daarvan in dit boek. Dekker en Zonneveld trekken nooit de handrem en dat siert hen.

Koersen in het duister

David Millar

Dit boek loopt deels parallel aan dat van Zonneveld: talentvolle renner grijpt naar doping en belandt in een depressie. Voor je gaat foeteren dat er al genoeg over doping is geschreven en dat je echt geen zin hebt in alweer een portie ellende, kan ik je gerust stellen. Mijn fascinatie voor de koers is ook na dit verhaal onaangetast gebleven. Nog altijd dicht ik iedereen die het ooit tot profrenner heeft geschopt, mythische krachten toe. Dus ook David Millar.

Millar was een van de mooiste renners in het peloton, een geboren stilist. Toch was hij niet in de wieg gelegd om coureur te worden. Geboren in Malta, opgegroeid in Hong Kong, was het niet evident om het te maken in een sport die geen enkele traditie had in die landen. Dat hij als jonkie naar Frankrijk trok om daar in een vreemde taal de stiel te leren, illustreert zijn grinta, de wilskracht die eigen is aan kampioenen.
Zijn opmars - met wereldtitels tegen de klok - en de neergang - het betrapt worden op EPO -  zijn genoegzaam bekend, het zijn misschien zelfs de minst interessante hoofdstukken van het boek. De beschrijving van de tweede carrière is pakkender. Waar Thomas Dekker op zijn zachtst gezegd roemloos het toneel moest verlaten met een mislukte uurrecordpoging als laatste wapenfeit, knokte de Schot zich met ritwinst in de Tour wel terug tot een gewaardeerd atleet.

Maar het boek eindigt twee jaar eerder, op de Commonwealth Games in Dehli. Na jaren vol mentale ellende won hij daar, op een evenement dat in wielerkringen nauwelijks weerklank vindt, voor het eerst sinds lang een tijdrit. Clean. Er was langs het parcours geen toeschouwer te bespeuren, maar Millar beschrijft die wedstrijd met het hart van de pure liefhebber. Daar, met de armen in de beugels van zijn tijdritfiets, maakte hij de cirkel rond en voelde hij weer de opwinding van de junior die ervan droomde ooit prof te worden. Al wie zelf regelmatig uit fietsen gaat, zal in dat afsluitende hoofdstuk herkennen waarom een leven zonder fiets onvolledig is.