Long read: Rondje links om op Britse grond

Heb je na de zomervakantie nog een paar vrije dagen die je dringend moet opnemen, maar weet je niet waarheen gefietst? Ik fietste naar Zeebrugge, nam er de nachtferry naar Kingston-upon-Hull en fietste in drie dagen naar Dover om daar terug met de boot het Kanaal over te steken en huiswaarts te trappen. Een verrassend rondje en het enige waar je moet op letten is … links rijden!

21/08/2019 - Tekst: Bart De Schampheleire // Foto's: Bart De Schampheleire

Varen of zwemmen?

Ik woon een kilometertje of veertig van de haven van Zeebrugge. De P&O nactboot richting Kingston-upon-Hill gaat om 19 uur, maar de ferrymaatschappij vraagt alle passagiers om zeker anderhalf uur op voorhand aanwezig te zijn om het laden van het schip ordentelijk te kunnen laten verlopen. Als fietser neem je altijd nog wat extra marge, je weet immers maar nooit dat je op weg naar de haven op een lekke band of een ander mechanisch defect wordt getrakteerd.

Met een lekker rugwindje en een aangename fietstemperatuur fiets ik door Brugge en ik lig zo ver voor op schema dat ik bij de vrienden van Shifting Gears binnen spring om de finale van de rit in de Binck Bank Tour te volgen. Meteen mijn eerste flater van de reis. Niet dat het geen spannende koers is, maar als ik terug buiten kom is de lucht betrokken en vallen de eerste regendruppels. De resterende vijftien kilometer richting Zeebrugge werk ik in een ware zondvloed af en het voelt alsof ik al bezig ben met het Kanaal over te zwemmen.

Terug bij de motoren

Havengebied is niet meteen fietsgebied want de hele infrastructuur is er in eerste plaats in functie van auto’s en vrachtwagens aangelegd. Langs de kant van de weg liggen veel steentjes en andere rommel waar ik zo goed als mogelijk omheen probeer te sturen. Samen met een Zwitsers echtpaar op de motor check ik in waarna we een plekje onder een laadbrug zoeken om toch een beetje beschutting voor de regen te vinden terwijl we op een teken wachten dat we de boot op mogen. Als dat een half uur later gebeurt, krijg ik een plekje toegewezen op het tussendek waar ook de motoren hun stalplaats krijgen toegewezen. In plaats van het sjortouw te gebruiken om mijn fiets vast te maken, gebruik ik de twee sloten die ik mee heb. En om er zeker van te zijn dat mijn Alpas testfiets geen lakschade oploopt tijdens de reis, heb ik stukken isolatieschuim meegebracht (weegt niks en berg je overal gemakkelijk op) om tussen het frame en het stalen hekwerk in de boot te bevestigen.

Veel heb je niet nodig op vier dagen. In de P&O ferry verkopen ze thee onder het label 'Taste of Britain', meteen ook het doel van de reis...

Een os in de boot

In mijn ruime tweepersoonskajuit met zeezicht neem ik meteen een douche en spoel mijn fietskleren uit. Waarna ik op het bovendek een luchtje en een regentje ga scheppen terwijl de boot afmeert en Zeebrugge steeds kleiner wordt. Het buffet in het ‘The kitchen’ restaurant op de boot is verrassend ruim en aangezien ik toch niet veel beters te doen heb, ga ik er eens lekker voor zitten. Een voorgerecht, hoofdgerecht en twee dessertjes later schuif ik met mijn kopje koffie aan bij het Zwitsers koppel motorrijders. Die hebben vijf dagen de tijd en willen in die tijdsspanne Schotland ontdekken. Aangezien ik daar een paar keer op de motor ben geweest, raad ik hen af om zo hoog naar het noorden te trekken. In het midden van Engeland is er ook vanalles te zien én veel te beleven, dus dat is een beter alternatief. De bingo-avond in de discotheek van de boot laat ik aan mij voorbij gaan, ik hou het bij Chelsea-Liverpool en een stevige pint cider. Waarna ik terugkeer naar mijn kajuit en de combinatie van de ronkende scheepsdiesel en het lichtjes rollen van de ferry zijn werk doet: binnen de minuut slaap ik als een os.

Windscherm

Als we om 9 uur aanmeren in Kingston-upon-Hull heb ik al een verkwikkende douche genomen en een stevig ontbijt achter de kiezen gestoken. Net als ik klaar ben met mijn Alpas The Belgian 2.0 op te tuigen voor de rit, komen een paar motorrijders naar me toe. Blijken het lezers te zijn van het motorblad waarvoor ik werkte, een leuk weerzien met de mannen die vanaf Hull dwars door Engeland gaan rijden om met een volgende ferry naar Ierland te reizen. En passent maak ik met witte tape een pijl op het windscherm van de motor van een Italiaanse motorrijder. De man heeft nog nooit links gereden en vreest dat zijn verstrooidheid gevaarlijk kan worden op de weg. De witte pijl op zijn windscherm moet als geheugensteuntje dienen, bij gebrek aan windscherm op een fiets zal ik het de komende dagen zonder geheugensteun moeten doen.

De wind op de majestueuze Humber Bridge (foto links) is even indrukwekkend als de stilte in de Lincolnshire Wolds (foto rechts).

Even gaan liggen

Volledig volgens mijn gewoonte kies ik de traagste rij om langs de Britse douanepost te passeren en als allerlaatste passagier van The Pride of Bruges rij ik de haven van Kingston-upon-Hull uit. De stad uitrijden is niet eenvoudig. Er is niet alleen het feit dat ik een beetje moet wennen aan het links op de weg rijden (heel normaal, geef jezelf daarvoor wat tijd), maar Hull is een wirwar van straatjes en een eindeloze opeenvolging van verkeerslichten. Als ik eindelijk de gigantische Humber Bridge over de rivier de Humber (soms moet je het niet te ingewikkeld maken) kan oprijden, lig ik voor ik het besef op de grond. Bij het trage manoeuvre om tussen twee hekken te slalommen ben ik simpelweg door een windstoot van een beaufort of acht met fiets en al omver geblazen. Met de PRO Discover frametas en de grote zadeltas is de fiets beduidend gevoeliger voor zijwind, dat wordt iets om de komende dagen op te letten. Lichamelijke averij heb ik gelukkig niet opgelopen en met een deuk in mijn ego, een krasje op het spatbord van de Alpas en een gaatje in mijn kniewarmer kan ik eindelijk beginnen aan mijn raid richting Zuiden.

Picknick

Vanaf de Humber Bridge laat ik het drukke Kingston-upon-Hill achter mij en lanceer mezelf in de Lincolnshire Wolds. Een fraai natuurgebied dat doorsneden wordt door smalle weggetjes. Bij een graadje of achttien verdwijnen het windvestje en de armwarmers al snel in de bagage, temeer omdat ik op de hellingen tot tien procent flink uit mijn pijp mag komen. Energie sparen is echter aangewezen want de rit is nog lang. Het vervelende aan godvergeten gebieden zoals de Lincolnshire Wolds is dat er amper bewoning is. En waar niemand woont zijn er ook geen winkels. Het is pas als ik de bossen achter mij gelaten heb dat ik na 85 kilometer bij een tankstation in Horncastle halt kan houden om proviand in te slaan. Ik ga met mijn sandwich en cola gewoon in het gras voor het tankstation zitten en improviseer een picknick. Heerlijk in het zonnetje…

Druk met de winddruk

Het enige wat mijn pret de komende dertig kilometer drukt is het verkeer. Vanaf Horncastle gaat het over een iets te grote (en dus drukke) weg zuidwaarts en de Britse chauffeurs kan je ongeveer fifty-fifty in twee groepen indelen. De eerste groep is bijzonder hoffelijk en passeert je in een ruime, veilige boog. De tweede groep is die van de gemotoriseerde hooligans die je rakelings passeren en je af en toe nog eens op een opgestoken middenvinger trakteren. Ik probeer er mij niet druk in te maken en er zo weinig mogelijk aandacht aan te besteden. Waar je als fietser in de UK wel aandacht moet voor hebben is het vrachtverkeer dat je tegemoetkomt. Heel vaak worden de Britse wegen immers afgezoomd met hoge hagen zodat je in een soort van natuurlijke tunnel fietst. Die hagen zorgen er voor dat je vaak goed beschut zit voor de zijwind, maar als een dertigtonner je aan zestig mijl per uur tegemoet komt gevlamd, dan kan de winddruk die de mastodont produceert omwille van die hagen ook niet weg. En dus krijg je die windstoot vol op de neus en dan heb je je fietsstuur maar beter in je beide knuisten vast…

Op de fiets kom je op bekende plaatsen...

De lucht in

Vlak voor het dorpje ‘New York’ wordt mijn aandacht getrokken door twee straaljagers die van op een militair vliegveld vlak naast de weg klaar staan om op te stijgen. Ik neem snel een plekje in tussen de vliegtuigspotters en vergaap mij aan het spektakel. Zo’n jet fighter vanop vijftig meter zien opstijgen is bijzonder indrukwekkend en het gebulder van de straalmotoren is oorverdovend. Na het luidruchtig schouwspel kom ik vanaf Spalding gelukkig in een zone van absolute rust terecht. Het fietspad volgt de dijk van de River Welland en een paar meter boven het biljartvlakke landschap is het beuken tegen de strakke wind die pal op kop staat. Gelukkig meandert de rivier nog een beetje zodat ik af en toe van wat zijwind kan ‘genieten’ en niet helemaal uitgewrongen ben als ik na 169 kilometer aankom in Peterborough. In hotel The Bull mag mijn fiets zowaar mee in de kamer en nadat ik een douche genomen heb en mijn fietskleren heb gewassen, trek ik het stemmige centrum van Peterborough in. Na een stevige pastamaaltijd zoek ik snel mijn nest op. Voor morgen heb ik 175 kilometer op de planning staan en omdat er tegenwind én vanaf de middag ook veel regen wordt voorspeld, wil ik lekker vroeg op pad gaan.

Eerste een handwasje en dan het stemmige centrum van Peterborough verkennen.

Langs de busbaan

Bonen in tomatensaus, worstjes, gestoomde tomaten, spek, omeletjes en pudding: je mag het mij allemaal voorschotelen, maar liever niet om 6.30 uur in de ochtend en al helemaal niet als ik een lange rit op de fiets voor de boeg heb. Ik hou het bij brood met jam, een eitje of twee en een flinke kom muesli, dat moet voldoende energie leveren voor de eerste paar uur armworstelen met de wind die me te wachten staan. Omwille van een afgesloten fietspad rij ik een paar nutteloze rondjes in Peterborough, daarna gaat het door een landschap zo plat als een pannenkoek met vijf beaufort pal op de neus zuidwaarts. Ik heb al redelijk diep in mijn krachtenarsenaal moeten tasten als ik in Saint-Ives het 24 kilometer lange fietspad naar Cambridge opdraai. In Saint-Ives staan alle bussen die de toeristen naar Cambridge brengen gestationeerd en over twee kaarsrechte busbanen pendelen de bussen tussen Cambridge en Saint-Ives. Langs het bustraject ligt een breed fietspad met asfalt van wereldkwaliteit waarop het aangenaam fietsen is. Een fijne afwisseling voor het soms drukke verkeer dat ik al moest trotseren.

The Bounty Hunter

Bij het binnenrijden van Camebridge stop ik bij een benzinestation om drank en eten te kopen. Op lange fietsritten zoals vandaag valt mijn eetpatroon vaak te vergelijken met dat van een zwangere vrouw. Het liefst van al zou ik nu een boterham met kaas, mosterd en augurken naar binnen werken, maar bij gebrek daaraan val ik terug op Bounty-repen. En aangezien ik honger als een paard heb, worden dat véél Bounty-repen. De Pakistaan die het tankstation uitbaat trekt grote ogen als hij mij zes Bounties naar binnen ziet werken en er het nogal overbodige ‘You very hungry, sir?’ achteraan gooit. Camebridge blijkt een mix van Venetië en Brugge want ze hebben er een soort van gondels die op de stadsgrachten rond varen en het stikt er van de Chinese en Japanse toeristen. Ik wurm mij door de toeristenmassa in het prachtige centrum en rij over perfecte fietspaden de stad langs de zuidkant uit. Als ik de stad achter mij laat, vallen de eerste regendruppels. Nog niet genoeg om al een regenjas aan te trekken, maar toch al meer dan genoeg om zoetjes aan nat van te worden. De temperatuur is echter mild en dus wil ik mij nog niet opsluiten in een regenjas.

Na de drukte van Camebrigde duik ik de rust van het platteland in. De lucht is dreigend, de regen op komst.

The Flemish Gay

Ten zuiden van Camebridge trek ik door een heerlijk rustig platteland dat me aan de serie ‘All creatures great and small’ doet denken. Jammer genoeg met een negatieve associatie want het lijkt wel alsof ‘All creatures great and small’ hier gesneuveld zijn. Ik fiets langs de kadavers van vossen, dassen, muizen en ratten: allemaal verkeersslachtoffers hoewel ik hier amper gemotoriseerd verkeer tegenkom. Fiets je een hele dag in je eentje, dan is dat ideaal om je hoofd eens goed leeg te maken of net je gedachten wat te ordenen. Al verbaas ik mij steevast over het feit dat mijn gedachten alle kanten op schieten. Bijvoorbeeld: als ik in de verte een passagiersvliegtuig zie opstijgen denk ik aan ‘airplane’. Daarna aan de band ‘Jefferson Airplane’, dan dwalen mijn gedachten naadloos af naar ‘Jeff Dunham’ en zo zit ik de komende vijf kilometer ‘Jeffafa. Dunham. Dot com!’ op mijn fiets te kraaien. (Zegt je dat helemaal niks, bekijk dan het filmpje hiernaast.) Dat gaat net zo lang door tot ik een Vlaamse Gaai zie opvliegen en bedenk hoe die vogel in het Engels zou heten. “Flemish Gay”, het zal toch niet…? Om maar te zeggen dat ik zelf ook soms moeite heb om mijn gedachtengang te volgen…

Op naar de pub

Nadat ik in Linton een sandwich verorberd heb, fiets ik in absolute rust verder. De weg kronkelt door het groene landschap en omdat de brug in Bartlow afgesloten is voor gemotoriseerd verkeer kom ik hier geen enkele auto, vrachtwagen of bus tegen. Na de vlakke, winderige aanloop zit het venijn van de rit in de staart want terwijl het steeds feller begint te regenen krijg ik nog een aantal verdomd steile hellingen voor de wielen gegooid. De laatste twintig kilometer richting Southend-on-Sea beklaag ik mij dat ik mijn route hierheen heb geleid want ik kom in heel druk verkeer terecht. Ik sukkel van de ene verkeersopstopping naar de andere en het regenwater staat ondertussen al tot aan mijn enkels in mijn schoenen.

Southend-on-Sea is jammer genoeg vergane glorie.

Surprise!

Laverend door het drukke verkeer, vermoeid en verkleumd laat ik mij op een grote rotonde bijna verrassen. In dit soort omstandigheden vergeet je nog wel eens dat het verkeer hier van de andere kant komt en mijn penny valt net op tijd, net voor ik de rotonde oprij en net niet vermorzeld word door de aanstormende auto. Southend-on-Sea zelf heeft duidelijk ooit mooie tijden gekend want er staan en paar indrukwekkende oude gebouwen in de belle epoque stijl. Ook de houten pier die heel diep de zee in gaat is indrukwekkend, de gigantische kermis die er voor is gebouwd is niet bepaald mijn ding. Southend-on-Sea is ten prooi gevallen aan low-budget massatoerisme en het resultaat doet pijn aan de ogen. Ik neem mijn intrek in een hotel dat boven een oerbritse pub zit en prijs me gelukkig dat de kamers goed geïsoleerd zijn zodat het gelal van de cafégangers niet tot in de kamers geraakt. Na 175 kilometer krijgen de beentjes wat rust, maar eerst de was!

De boot in, alweer

Er resten mij slechts 130 kilometer tot de DFDS ferry die me van Dover naar Duinkerke moet brengen en ik heb een ticket voor de boot van 18 uur, dus zou ik het mij kunnen veroorloven om uit te slapen. Vanaf Duinkerke heb ik echter nog negentig kilometer huiswaarts te fietsen en als ik die rit pas om 21 uur kan aanvatten, dan rij ik vanavond de hele tijd in het donker. Dus waarom niet lekker vroeg op pad gaan en proberen om de boot van 16 uur of wie weet zelfs die van 14 uur te halen, dat zullen vrouw en kinderen best wel kunnen appreciëren. Al om 6.45 uur zit ik in het zadel en terwijl ik in het licht van de opkomende zon in de koele ochtend de badstad uit fiets, waggelen de laatste feestneuzen naar hun vakantieverblijf of woning. De eerste dertig kilometer tot Tilbury zijn weinig spectaculair, tijdens de korte break op de mini-ferry die me van Tilbury naar Gravesend brengt maak ik kennis met een Brit die net vertrokken is op fietsreis richting Venetië. Door in Tilbury de veerpont over de Theems te nemen, voorkom ik een flinke omweg over de brug in Dartfort en de boot nemen geeft je altijd het gevoel dat je aan het reizen bent, niet?

Nijdig

Vanaf Gravesend gaat het in een bijna rechte lijn richting Zuid-Oosten, maar het hoogteprofiel vertoont niet meteen een vlakke lijn. De korte, nijdige hellinkjes volgen mekaar in sneltempo op en het is zaak om in elke afdaling genoeg vaart te maken om het volgende bergje met zo veel mogelijk snelheid te kunnen aanvatten. Onnodig te zeggen dat ik flink met het schakelhendel aan de slag mag. Ik zit ondertussen in het wiel bij een Britse jongeman die op zijn racefiets op weg is naar vrienden in Amsterdam, dat heeft hij mij daarnet verteld toen we even moesten wachten bij een verkeerslicht. Hij heeft een wat aparte stijl van fietsen, doet het op de vlakkere tussenstukken rustig aan om elke helling volgas naar boven te peren. Aangezien hij met enkel een stuurtas rijdt (die heeft dus niks mee?) en ik met bijna volle bepakking onderweg ben, kan ik hem bergop niet volgen waarna ik hem in de afdaling en op het vlakke snel weer inhaal. Zo spelen we een kilometer of dertig jojo tot mijn route vanaf Faversham de kleinste weggetjes van Kent opzoekt.

The Garden of England, speeltuin voor fietsers

Hier begint het allermooiste deel van de route. Het graafschap Kent wordt niet voor niets ‘The garden of England’ genoemd en de smalle weggetjes die door het landschap kronkelen zijn bijzonder inspirerend. Voorzichtigheid is wel geboden want het wegdek is vaak van slechte kwaliteit en de heggen en muurtjes die de wegen afzomen beperken vaak het zicht.

Ineens, helemaal uit het niets, duikt Canterbury op. Een schitterende historische stad met een verkeersvrij centrum waar je overdag ook als fietser te voet doorheen moet. Ik ben al een paar keer in Canterbury geweest en elke weekenddag kan je er op de koppen lopen. Ik sjok met de fiets aan de hand dwars door het centrum en laat de kathedraal letterlijk en figuurlijk links liggen. Ik lig immers op schema om de boot van 14 uur en wil er nu een beetje vaart achter zetten.

De steiger naar de overzet in Tilbury, het bootje zelf en de Theems die we oversteken.

Pech onderweg

Zo gezegd, zo gedaan, tot ik in het schitterende niemandsland tussen Canterbury en Dover ineens het achterwiel iedere omwenteling hard tegen het spatbord voel en hoor slepen. Meer dan vermoedelijk ben ik met het achterwiel door een put gereden waarna er een slag in het wiel is ontstaan en de band tegen het spatbord aan loopt. Ik ga in de frametas op zoek naar mijn toolkit en stel tot mijn grote frustratie vast dat ik vergeten ben om een spaaksleutel mee te nemen. Om de schade aan band en spatbord tot een minimum te beperken, zet ik dan maar de fiets op zijn kop en schroef de bevestigingsboutjes van het spatbord half los. Daardoor zal de fiets wel wat rammelen, maar daarmee kan het spatbord ook wat ‘leven’ en zal het contact tussen band en spatbord minder hard zijn. Een niet geplande passage over een redelijk modderig stukje offroad kan me niet uit mijn lood slaan en iets voor 13 uur bereik ik Dover. Een bejaard echtpaar duidt me ‘Halfords’ als enige fietsenwinkel aan waar ik in zeven haasten een spaaksleutel koop en me naar de haven spoed. De haven van Dover is duidelijk beter ingericht voor fietsers en de vriendelijke man bij de check-in van DFDS maakt er geen enkel probleem van om mijn ticket om te boeken naar de boot van 14 uur. Terwijl ik tussen de motorrijders wacht om de boot in te mogen rijden, gaat de Alpas The Belgian 2.0 nog een keer op zijn kop en probeer ik zo goed als mogelijk de slag uit het achterwiel te halen. Kwestie van straks die laatste negentig kilometer op Franse en Belgische wegen zo vlot mogelijk te kunnen afleggen.

De kloof tussen de drukte in Canterbury en de rust in The Garden of England kon niet groter zijn.

Rusten en eten

Ik benut de twee uur die de ferry nodig heeft om het Kanaal te dwarsen om goed te eten en wat te rusten, er resten me immers nog honderd kilometer tot thuis. Omdat alle passagiers voor het inschepen in Dover al langs de Franse douane zijn gepasseerd, is er op Europees grondgebied geen grenscontrole meer zodat ik meteen met de wind in de rug de laatste rit huiswaarts kan aanvatten.

Onrust over onlusten

Voor de eerste kilometers van mijn laatste rit had ik aanvankelijk wel wat schrik, de havens van Calais en Duinkerke hebben de voorbije maanden immers flink wat problemen gehad met migranten die Engeland proberen te bereiken. Ik ben dan ook blij dat ik bij daglicht de haven van Duinkerke uit kan fietsen, al was mijn onrust sowieso ongegrond want ik tref in het hele havengebied geen enkele levende ziel aan. Geen Fransman, geen migrant, geen asielzoeker: niemand. Zelfs geen andere fietsers.

Honing, ik ben thuis!

Over vlakke wegen en gejaagd door een aangename streep rugwind vervolledig ik mijn rondje ‘Links Om’ tot thuis. Ik heb mij kostelijk geamuseerd en genoten van het fietsen in Engeland, maar mocht ik het rondje nog een keer fietsen, ik koos voor de gravelbike en trok een dag extra uit voor de reis. Op die manier heb je meer tijd om zo veel mogelijk over de allerkleinste weggetjes te fietsen en voorkom je de passages op de drukkere doorgaande wegen.

PRAKTISCH

P&O Ferries vaart elke avond om 19 uur vanuit Zeebrugge naar Hull waar je rond 8.30 uur de volgende ochtend aanmeert. De ticketprijzen hangen af van hoe lang je op voorhand reserveert en welk comfortniveau je kiest. Een basisticket voor één fietser kost -exclusief maaltijden- 149 euro, deel je met twee een kajuit dan komt de overtocht in de goedkoopste configuratie op 186 euro. Wil je van 22 tot 29 september naar het WK wielrennen in Yorkshire, dan is de ferry richting Hull een prima keuze. Voor de overtocht van Dover richting Frankrijk koos ik de route Dover – Duinkerke van DFDS Seaways. Een basisticket voor deze overtocht kost voor één fietser 28 euro. Wil je op de terugweg nog wat meer kilometers maken op Frans grondgebied, dan bieden zowel DFDS Seaways als P&O overtochten aan van Dover naar Calais. Calais ligt ongeveer vijftig kilometer ten westen van Duinkerke, iets verder van de Belgische grens af dus.

Alle info over P&O Ferries, het vaarschema en de ticketpagina vind je hier.

Voor de informatie over DFDS Seaways klik je hier.

Meer inspiratie voor reizen in de UK vind je op de website van Visit Britain.

ROUTES

Hieronder vind je de links naar de vier routes die ik fietste.

Hull - Peterborough: LINK

Peterborough - Southend-on-Sea: LINK

Soutend-on-Sea - Dover: LINK

Duinkerke - Brugge: LINK

OUTFIT CHECK

Helm: Scott Centric Plus - Bril: Scicon Aerotech - Shirt: Grinta! Gruppo Sportivo by Bioracer - Armwarmers: Sportful NoRain - Broek: Grinta! Gruppo Sportivo by Bioracer - Kniewarmers: Sram (made by Nalini) - Sokken: Bioracer - Schoenen: Mavic Allroad Pro