Wegwaaien op de Pre-Ride Omloop Het Nieuwsblad

Met de Ouverture Ride had Grinta! de absolute primeur om het nieuwe fietsseizoen te openen. Een dag later volgde Flanders Classics met een Pre-Ride van de Omloop Het Nieuwsblad. Al zorgde de zoveelste storm voor een domper op de fietsvreugde, toch ging Joyce Verdonck kromgebogen over het stuur, tegen 6 Beaufort in, mee beuken over hellingen en kasseien.

29/02/2020 - Tekst: Joyce Verdonck // Foto's: Joyce Verdonck, @toosoontoolate

De nacht voor de Pre-Ride Omloop Het Nieuwsblad slaap ik niet zoveel. Zowat elk uur check ik mijn gsm of er geen annulatiebericht is binnen gekomen. De een na de andere veldcross en carnavalsviering is al geannuleerd. Voor de zoveelste zondag op rij is een hevige stormwind aangekondigd en bovendien ook veel regen. Echt flandrienweer ja, maar of het verantwoord is om daar een bende wannabe’s door te sturen?

Katten aan de start

Er komt geen annulatie. Er komt wel spijt dat ik heb toegezegd om mee te fietsen. Flanders Classics organiseert samen met fietswinkel Bataia uit Gentbrugge twee begeleide groepsritten op het parcours van de Omloop. Omdat ze een aparte womenride hebben voorzien, wil ik het initiatief graag steunen. Dus met een ferm slaapgebrek en een serieus ei in de winterkoersbroek vertrek ik richting Bataia, waar de rit zal starten. Meteen bij aankomst krijg ik slecht nieuws te horen. “Wegens maar vijf dames die komen opdagen zijn, rijden jullie gewoon mee met de mannen. Op zich goed nieuws dat we ons in genoeg wielen kunnen nestelen. Anderzijds zal het tempo ook wel een stuk hoger liggen; al beloven de kopmannen lief te zijn en te wachten na elke helling. Ook bij de mannen is de spoeling dunner dan het aantal inschrijvingen. Veel deelnemers hebben hun kat gestuurd. De eerste kilometers zitten we nog in de beschutting van de randgebieden van Gent. Maar al bij de eerste brug in de buurt van de Ghelamco Arena beukt een zijdelingse rukwind fel op ons in. Ik word samen met een paar andere fietsers bij verrassing een paar meters opzij geblazen, maar niemand kust het asfalt. Het is opletten voor afgevallen takken en omgevallen wegsignalisatie. De begeleidende motards doen ontzettend hun best om ons overal veilig door te loodsen.

Onverantwoord ?

Het is met de stormwind niet eenvoudig om een rechte lijn op de weg te blijven volgen en ook nog eens het maximale voordeel te halen uit het wiel voor je. Ik zeg tegen de man naast me “dat het op het randje is.” Hij antwoordt “dat het inderdaad maar kantje boord van verantwoord is.” De woorden klinken stoerder dan de blikken die we uitwisselen. Die verraden dat we oordelen dat we ons aan de verkeerde kant van dat verantwoord boordje bevinden. Via Merelbeke en Gavere zetten we koers richting Zwalm. Af en toe wordt er doorgeschoven in het peloton. Simpel is het nooit om een gesprek aan te knopen. Niet alleen omwille van de nodige concentratie, de wind maakt verstaanbaar praten quasi onmogelijk. Als een meisje uit Brussel een verhaal afsteekt en ik voor de tiende keer “wablief” heb geschreeuwd, geef ik het op en knik ik beschaamd alsof ik alles versta wat ze zegt. Muzikant Frederik Sioen uit Gent is ook van de partij. Als hij compleet naast de kwestie op mijn vraag antwoordt, besef ik dat het niet alleen aan mijn oren ligt dat gezellig keuvelen moeilijk ligt.

Te groot voor 6 Beaufort

De stilste van de groep is ongetwijfeld ex-basketbalspeler Tomas Van Den Spiegel. Hij ziet met zijn 2m14 het meeste af. Zelfs in het wiel steekt hij met zijn lange lijf boven al de rest uit en vangt hij de volle wind. Op een oplopend stuk zakt hij door het ijs. Boven wacht de groep geduldig. De eerste echte helling die we moeten opklauteren is de Molenberg. Het is ieder voor zich. Al snel vertoef ik in de achterhoede. Ik concentreer me op mijn eigen hartslag en mijn voorwiel dat zich uit de greep van de gleuven tussen de natte kasseien probeert te onttrekken. Ik zweet me te pletter. Omwille van de voorspelde regen ben ik net als de meerderheid met een regenjas aan vertrokken. Het voelt als een sauna onder het vestje, maar uit durf ik het niet meer te doen, uit schrik om bezweet kou te vatten. Nochtans zou het makkelijk zonder jasje kunnen, want behalve een paar mierendruppels zien we de hele rit geen echte regen.

Inkorten?

Een paar kilometer na de Molenberg houden we halt aan café De Vliegende Hollander in Sint-Blasius-Boekel. Pas nu blijkt hoe vuil iedereen al is. Onze fietsen, gezichten en modderkonten zijn besmeurd alsof we er net een veldrit op hebben zitten. Blijkbaar komen we ook twee man te kort. Al in het begin hebben ze rechtsomkeer gemaakt omdat ze het niet zagen zitten door het tempo en de wind.
Bij de volgwagen pikken we onze bevoorrading op en in het café worden gretig cola’s en koffie’s besteld. Kopman Bram komt overleg plegen met de dames. Dat er overwogen wordt om de groep in tweeën te splitsen en wie dat wil zo de kans te geven de route van 80 km in te korten. Niemand die daarvan wil weten. Wel wordt er beslist om af te stappen van de oorspronkelijke route omwille van de wind. Een van de stroken die geschrapt worden, is de Haaghoek. De euforie dat we zo minder kasseien zullen doen, blijkt later onterecht. We fietsen richting Brakel.

Berendries? Berendries!

Op de hellingen met naam wordt telkens boven gewacht, maar op de oplopende tussenstukken moet ik alle registers open trekken om in het wiel te kunnen blijven. Ik heb in jaren mijn hartslag niet meer zo hoog zien gaan. Ik spot rechts van me een bordje “Michelbeke” en besef dat ik dringend moet recuperen. Gelukkig is er een afdaling voor we in het centrum van Michelbeke belanden. “Lap, de Berendries,” waarschuw ik Frederik Sioen. “Echt, moeten we die op?” De opmerking is tekenend voor de rit. Omdat je je zo hard moet concentreren om niet wegblazen te worden door een rukwind, heb je nauwelijks tijd om van de omgeving te genieten, laat staan om je te kunnen oriënteren. Iedereen knalt naar boven alsof er boven punten te rapen zijn en de finale in een beslissende plooi moet vallen. Gelukkig zitten we tussen de huizen beschut en maakt de wind het ons niet moeilijker dan het al is. Veel uitrusten is er niet bij, want na de afdaling wacht ons al de klim naar het Vossenhol. Stilaan draaien we terug richting Zottegem en terug naar onze stal. Af en toe blaast de wind al in ons voordeel. Wisselen huizen of bomen af met open vlaktes, blijft het uitkijken om door de plotse wind niet in de berm of gracht geslingerd te worden.

Kasseien

Na een paar slingerwegen en een afdaling op de kasseien van Roborst begint er ergens een lamp te branden. Rijden we niet in de richting van.... ? Nog één bocht en ja hoor, we beginnen eraan. De kasseien van de Paddestraat. Iedereen stormt ervandoor, alsof de strook slechts honderd meter lang is en geen twee kilometer. Ik dender op eigen tempo verder op de kasseien, maar raap niemand op die zichzelf is tegen gekomen. In tegendeel, Jean-Pascal van Bataia – JP voor de vrienden – is al de hele rit plichtsgetrouw hekkensluiter en komt in mijn buurt rijden. Daar gaat mijn reputatie ! Het voorjaar moet nog beginnen en ik ben de kasseien nu alweer kotsbeu. Gelukkig zit de wind in ons voordeel.

Stervende zwaan

Er wacht ons nog één uitdaging. De Lange Munte in Scheldewindeke. “Het zal ook met meewind zijn!” roept iemand. Maar dat blijkt ijdele hoop. Op het moment dat we aanzetten op de Lange Munte is duidelijk dat de wind vol in onze snoet blaast. Ik zie aan mijn hartslag dat ik diep in het rood ga en net dan voel ik een kleine versnelling in de groep. Ik weet dat ik niet mag kraken omdat ik alleen in de wind nog meer ga afzien, maar ik kraak toch. Mijn laatste cartouche is al een tijd geleden verschoten. De verzuurde benen en mijn tikker hebben er genoeg van. Er valt niet meer vet van de soep te schrapen. Het is op.

Complottheorie

Plots zit ik alleen. Doodgaan. Mijn snelheid zakt naar 12 km/u. Het lijkt alsof net dan de storm een hoogtepunt bereikt en me met extra rukwinden achteruit wil blazen. Nog nooit ben ik zo tergend traag over de Lange Munte gereden. Mijn hartslag wil maar niet zakken. De groep voor me wordt kleiner en kleiner. Wachten doen ze pas op het einde. En dat einde is nog heel ver. Achter me zie ik een groepje van drie maar dat nadert niet snel. Ik heb zin om af te stappen maar weet dat dat geen zin heeft. Ik stamp me aan slakkentempo verder voorwaarts. Het mikpunt op het einde is als een fata morgana dat alsmaar verder van me lijkt af te drijven. Ik vermoed een complot. Iemand heeft stiekem afgelopen winter de Lange Munte nog langer gemaakt.

Volle petrol

Pas kort voor het einde raapt het groepje van drie me op en kan ik nog even in hun wiel zitten uithijgen. Nog verder achter ons probeert ook Tomas Van Den Spiegel te overleven. Een van de andere dames heeft zich opgeofferd om voor hem uit te rijden. Maar dat helpt uiteraard alleen maar voor de onderste helft van zijn lange lijf. Herenigd met de hele groep draaien we de N444 op richting onze eindbestemming. Tussen de motards en volgwagens kunnen we net als de echte renners dit weekend de rijweg gebruiken in plaats van het fietspad. Met de wind vol in de rug is het kicken. Vooraan draaien ze het gas nu helemaal open en met de laatste restjes energie bereiken we na ruim drie uur opnieuw onze eindbestemming Gentbrugge. De rit was dan misschien maar 80km lang, door de wind voelde het zeker dubbel zo lang aan.

Geheugenverlies

Het stuk brownie waarop we in Bataia getrakteerd worden, helpt om weer op krachten te komen. Iedereen is opvallend positief. Schitterend georganiseerd, daar ben ik het volmondig mee eens. Iedereen concludeert vreemd genoeg dat het met de wind wel meeviel. Er waren geen valpartijen, dus waar klagen we over? Eigen aan de fietser, vrees ik. Hij mag nog zitten huilen op zijn fiets, eenmaal afgestapt, doven al die zwakke momenten in ons geheugen onmiddellijk uit.

Ich bin ein Flandrien

Dit weekend volgt het échte werk. Zowel de profs als de wielertoeristen kunnen hun tanden stuk bijten op de Omloop Het Nieuwsblad en Kuurne-Brussel-Kuurne. Maar als de wind geselt en de regen met bakken uit de lucht komt vallen, dan zou het wel eens kunnen dat de verleiding om me gewoon in mijn zetel te nestelen te groot is. De titel van Flandrien heb ik al verdiend.