LONG READ: Op de gravelbike naar Straatsburg

Deze zomer zet Belgian Cycling Factory het merk Eddy Merckx opnieuw in de markt. Met bestaande modellen in een nieuwe look én compleet nieuwe fietsen. We haalden een Strasbourg 71 gravelbike op bij de fabrikant in Paal-Beringen en reden er in drie dagen mee van het Grinta! kantoor in Oudenaarde naar Straatsburg. Op zoek naar het echte gravelgevoel. Op zoek naar de kwaliteiten van de Eddy Merckx Strasbourg 71. En op zoek naar de wielerbaan waar de Kannibaal in de Tour van 1971 aartsrivaal Roger De Vlaeminck klopte. Allez hop, en route voor een kilometertje of 570.

26/07/2018 - Tekst: Bart De Schampheleire // Foto's: Bart De Schampheleire

De beste ideeën komen meestal spontaan. Toen ze vanuit Paal-Beringen de vraag stelden ‘Of we geen zin hadden om eens iets met een Strasbourg 71 te doen?’, kon ik meteen slechts aan één ding denken: ik fiets dan toch gewoon naar Strasbourg? Puur op kompas, in een zo recht mogelijke streep van de Grinta! kantoren in Oudenaarde naar het Parc Tivoli waar Eddy Merckx in de Tour van 1971 Roger De Vlaeminck op zijn doos gaf.

14,60 kilogram reislust (all-in) staat te trappelen om er vandoor te gaan.

“Tot zaterdag, we zien mekaar rond 16 uur aan het Parc Tivoli. En voorzichtig zijn.” Hij klinkt bijna als mijn moeder, Heer Uitgever, als hij me op donderdagochtend iets na negenen in Oudenaarde uitwuift. De zon staat al hoog aan de hemel en ik zou vandaag wat rugwind moeten hebben, dus die 190 kilometer tot Han-sur-Lesse zouden een eitje moeten worden. Voor de navigatie was ik aanvankelijk van plan om puur op kompas te rijden omdat een gravelbike toch van het ‘overal dwars doorheen’ principe is, maar nog voor vertrek heb ik dat plan een beetje bijgesteld. Want als je in drie dagen 570 kilometer weg te trappen hebt, dan is er niet zo veel tijd om verloren te rijden. Voor vanavond heb ik een hotelletje geboekt in Han-sur-Lesse, voor morgenavond in Saarlouis en zaterdag moet ik dan in de late namiddag in Straatsburg zijn. Voor elk van de etappes heb ik een papiertje gemaakt met een heel summiere beschrijving van de route. Gewoon wat aantekeningen en dorpsnamen op een rijtje met als back-up een Sigma Rox 12.0 navigatietoestel en een Lezyne Super GPS om de route vast te leggen voor het nageslacht. Mijn spulletjes zitten in een stuurtas en een zadeltas van BBB met als extraatje een frametasje van B’Twin, de twee 750 cc bidons zijn tot de nok gevuld want ik wil in de voorspelde hitte vooral niet zonder water vallen. En voor de rest zal het wel allemaal meevallen zeker?

Symmetrische strepen stro in het wulpse landschap van het Pays des Collines.

Vanuit Oudenaarde gaat het uiteraard zuidwaarts en al na een paar kilometer word ik op weg richting Maarkedal met wegenwerken geconfronteerd. “Haha, de eerste gravelstrook”, kraai ik terwijl ik over het steenpuin vlieg en de twee wielertoeristen die me daarnet vergezelden rechtsomkeert moeten maken. Via Ellezelles gaat het richting Ath waar de Vlaamse Ardennen bijna ongemerkt in het Pays des Collines overgaan. Het gedorst stro trekt een bijna mondriaans patroon in de goudgele akkers en dankzij de lichte, maar o zo warme rugwind maak ik flink vaart. In Henegouwen wordt me meteen duidelijk waarom de begrippen ‘gravel’ en ‘travel’ zo dicht bij mekaar liggen. Met de 36 mm brede banden van de Strasbourg 71 rij ik met een beperkt risico op lekke banden en met een bovengemiddeld comfort over de barslechte fietspaden die de grote steenwegen afzomen. Het geeft mij een beetje een dubbel gevoel. Want enerzijds zou ik wel wat liever over de kleinste weggetjes door het landschap sluipen, maar tegelijk liggen de ‘fietspaden’ (ik zet de term tussen haakjes omdat de kwaliteit van de paden eigenlijk de term ‘fietspad’ niet rechtvaardigt) er zo godsgruwelijk slecht bij dat je een écht gravelgevoel krijgt. Vlak voor Chièvres zwenk ik van de drukke N56 af om langs de Amerikaanse vliegbasis te rijden, al valt er weinig activiteit te bespeuren. Als Mons aan de einder opdoemt haal ik er eventjes de Sigma Rox 12.0 bij om me zo snel mogelijk rond de stad te loodsen, daarna neemt de navigatie met het papiertje het weer over en rij ik over de N40 richting Givry en Beaumont.

Tasje boven of tasje onder?

De weg loopt geen meter vlak, altijd is het bergop of bergaf en de wind staat ondertussen ook vervelend in de flank. Voor mijn sandwich-met-twee-cola’s middagpauze in Beaumont heb ik al een eerste aanpassing aan mijn uitrusting doorgevoerd. Het B’Twin frametasje dat aanvankelijk op de bovenkant van de bovenbuis rustte hinderde daar te veel, ik moest te veel met mijn knieën naar buiten rijden. Met het frametasje aan de onderkant van de bovenbuis opgehangen, genieten mijn knieën weer van de ruimte boven de bovenbuis die ze nodig hebben en kan ik opnieuw soepel trappen. Na Beaumont blijf ik nog eventjes op de weinig inspirerende N40 om daarna naar de Lacs de l’eau d’Heure af te dalen. Ik verbaas mij er over de kalmte, had me bij het begin van de zomervakantie aan veel meer toeristen verwacht maar blijkbaar is dit fraaie stukje België niet meer zo populair. Jammer. Terwijl de warmte overgaat in een loden, logge hitte en ik zwarte onweerswolken zie samentrekken kies ik na Cerfontaine toch voor een paar echte gravelstukken. Niet meteen de korste route, maar na 150 kilometer asfalt vreten smeken de Eddy Merckx en mijn knoken naar een streepje afwisseling. Noem het ‘stof tot nadenken’ want uiteindelijk wil ik met mijn trip ook de eerste helft van het jaar mentaal afsluiten. Vlak voor de Eurobike eventjes het hoofd leeg maken door drie dagen te fietsen en alleen maar te fietsen: betere therapie bestaat er volgens mij niet.

Best wel een flinke plas nattigheid, die Lacs de l'eau d'Heure.

Vanaf de Lacs de l’eau d’Heure kan ik nu een bijna horizontale streep richting Han-sur-Lesse trekken, al komt daar een paar kilometer Frankrijk aan te pas. De laatste paar kilometers van de afdaling naar de Maas in Givet lopen over Frans asfalt. Nat asfalt want kort voor mijn doortocht moet het hier stevig geonweerd hebben. De lucht is alweer open gebroken en de brandende zon doet het regenwater op het zwarte wegdek zo snel verdampen dat de lens van mijn Smith fietsbril er zowaar van beslaat. In Givet komen de toeristen alweer uit hun schuilplaatsen (aan restaurants en tavernes geen gebrek) en een paar honderd meter verder herinnert een richtingaanwijzer naar Heer-sur-Meuse me aan een vakantiekamp uit mijn jeugd. Langs de weg die me vanuit het Franse Givet naar het Belgische Beauraing moet leiden ligt op Macron-grond één van de lelijkste, zo niet hét lelijkste winkelcentrum dat ik ooit al gezien heb. Hoewel mijn drankvoorraad er bijna doorheen zit en ik ook wel wat suikers kan gebruiken, is er geen haar op mijn kale knikker dat er aan denkt om aan het winkelcentrum te stoppen om proviand in te slaan. Nog liever doodvallen van honger en dorst, een mens moet zijn principes hebben.

Ben ik dan per abu(i)s in Frankrijk beland?

Een paar kilometer verder stop ik bij een vervallen tankstation waar een Pakistaan een dag/nachtwinkeltje uitbaat. Mister Proper is de winkeluitbater beslist niet, maar in plaats van mij daar aan te storen pers ik een paar houterige danspasjes uit mijn heupen want de oosterse muziek die meneer uit zijn boxen laat schallen werkt verdomd aanstekelijk. Terwijl ik mijn keuze maak (het wordt water, een flesje Mountain Dew en een pak snoep dat in Saarlouis – mijn overnachtingsplaats voor morgen- is geproduceerd) stormt de ene Fransman na de andere het winkeltje naar binnen om gigantische hoeveelheden sigaretten in te slaan. Blijkbaar worden die kankerstokken in Frankrijk nog zwaarder belast dan bij ons.

Vanaf Vignée volg ik de Lesse en worden de duizenden tinten natuurlijk groen in de vallei aangevuld met het artificiële groen van de tentzeilen die de talrijke jeugdbewegingen hier op kamp gebruiken. Een tiental kilometer volg ik over een wegdek van heel wisselende kwaliteit de grillige loop van de Lesse, al zie ik nergens de kans om mijn vermoeide kuiten een uurtje in het koude water te laten rusten. Dan maar door naar Han-sur-Lesse waar ik na een kleine zeven uur fietsen een Dame Blanche van een halve meter hoog als alternatieve recuperatieshake laat aanrukken. Onder het motto ‘Dat heb ik wel verdiend’.

Recupereren kan je leren.

Zoek het ritme

“De Schampheleire, kieken, waarom heb je gisteren zo hard gereden?”. Op het allerkleinste versnellingkje probeer ik uit de vallei van de Lesse te krasselen, al valt dat hoegenaamd niet mee. Ik had op een betere nachtrust gehoopt na de pittige rit van gisteren, maar omdat de hotelkamer zonder airco zo bloedheet was heb ik met de ramen open geslapen en leek het wel alsof de eerste vrachtwagen die om 4.30 uur door Han-sur-Lesse denderde meteen ook los door mijn hotelkamer dokkerde. Bij wijze van opwarming had ik deze ochtend op een paar vlakke kilometers gehoopt, al zijn die me jammer genoeg niet gegund want het gaat meteen steil bergop. Te steil bergop om een ritme te vinden, dat wordt een klus voor straks. (Of dat hoop ik toch.) Nog een geluk dat ik de eerste paar tientallen kilometers vooral door dicht bebost gebied rij want om 9.30 uur is het al 26 graden en kan ik de schaduwrijke zones heel erg appreciëren.

Een beetje meer gewicht in de stuurtas en af en toe eens de GPS checken. Maar ook niet te vaak want de getoonde resterende afstand is niet altijd hoopgevend.

Aan de belading van de fiets heb ik deze ochtend een beetje gesleuteld en gelukkig werpt dat meteen zijn vruchten af. Gisteren was ik uitgegaan van het beladingsprincipe ‘alles wat ik onderweg nodig kan hebben gaat in de gemakkelijk toegankelijke zadeltas, wat ik niet nodig heb prop ik in de wat lastiger te gebruiken stuurtas’. Met als resultaat te veel gewicht in de zadeltas waardoor de fiets bij het staand klimmen lastig over te gooien was. Vandaag zit er meer gewicht in de stuurtas waardoor de fiets iets minder intuïtief stuurt, maar de lichtere zadeltas maakt het wel gemakkelijker om op de trappers te lopen. En dat mag ik veel doen in de Ardennen want uiteindelijk zal ik tijdens de tweede rit toch bijna 2.500 hoogtemeters soldaat maken op 192 fietskilometers. Voorbij Libin wordt de immer op en af lopende N40 steeds minder druk en onder de loden zon voel ik mijn energievoorraad snel slinken. Aarlen komt net op tijd in zicht, al moet ik nog wat hoogtemeters overwinnen voor ik me in het stemmige centrumpje op een joekel van een sandwich en een paar cola’s kan storten. De kokette dames huppelen in weinig verhullende niemendalletjes door het centrum zodat ik mezelf er van overtuig dat het pal op het middaguur niet verstandig is om verder te fietsen. Ik bestel dus nog een cola en observeer met de concentratie van een ornitholoog het gehuppel rondom mij.

Dit is wel degelijk een fietspad. Of toch de Waalse interpretatie van dat begrip.

In de afdaling na Aarlen verbaas ik mij over twee zaken. Enerzijds over de stabiliteit van de Strasbourg 71, anderzijds over de erbarmelijke staat van het fietspad dat je eigenlijk geen fietspad meer kunt noemen. Gebroken en verbrokkeld beton, onkruid, grint, takken en putten: je komt het allemaal tegen. Absoluut onmogelijk om hier met een normale racefiets te rijden, maar de Strasbourg 71 vindt het allemaal best. Om in Saarlouis uit te komen moet ik dwars door Luxemburg en dat in zijn beide betekenissen: dwars door het Groothertogdom Luxemburg en dwars door Luxemburg Stad. Het platteland van Luxemburg is niet echt opwindend, al vind je er wel leuke gravelweggetjes tussen het ruisende koren. In Luxemburg Stad slalom ik tussen de dure sportwagens en wip met de brede banden van de Merckx galant over stoepranden en tramrails allerhande. Nog een reden waarom een gravelbike een betere reisfiets is dan een omgebouwde racefiets.

Goudgeel koren zo ver je kan kijken en daar tussen veel super rustige weggetjes: Luxemburg is een fraaie bestemming voor een gravelrit.

Na Luxemburg Stad wordt het traject weer wat leuker om te fietsen, al begin ik de beentjes toch wel te voelen. De afdaling naar Schengen (ja, dat van het Schengen-akkoord) is snel, maar met de stabiliteit van de Strasbourg 71 en de betrouwbare Shimano Ultegra schijfremmen behou ik altijd de controle. In Schengen steek ik de Moezel en de grens met Duitsland over, meteen ook het sein om het eerste het beste warenhuis binnen te duiken voor een drank die ik enkel in Duitstalige landen drink: Spezi ofte cola met limonade gemengd. Ik koop er meteen ook een rolletje druivensuiker bij en werk dat gulzig naar binnen. Ik kan het gebruiken want de klim uit het Moezeldal is verdomd steil. Het uitzicht over de wijngaarden op de flanken aan de andere kant van de Moezel mag er zijn, maar in de hitte wil ik nu vooral zo snel mogelijk naar Merzig. Daar zal ik immers aan de boorden van de Saar belanden en over het jaagpad langs die rivier buffel ik een klein uurtje later de laatste kilometers naar het industriële Saarlouis waar ik na een halve liter Spezi door mijn keelgat giet en een joekel van een schnitzel bestel als herstelmaaltijd. Omdat het niet elke dag Dame Blanche kan zijn.

Wel een paar wolkjes, maar voor de rest geen vuiltje aan de lucht. Bijna dertig graden en amper wind, (z)weet je wel...

Het is nog lekker koel als ik op de derde dag al om 7 uur aan mijn laatste etappe begin. Zonder twijfel de gemakkelijkste van de drie met minder kilometers (een stuk of 160 geschat) en heel veel trajecten langs vlakke jaagpaden. Maar ik wil tegelijk niet het risico lopen om mijn collega’s in Straatsburg te laten wachten, we moeten immers nog door tot Friedrichshafen voor de Eurobike fietsbeurs. Vandaar dat ik al om 7 uur in het zadel zit en het saaie Saarlouis achter mij laat, ontbijten doe ik straks in Saarbrücken wel. Kilometers lang fiets ik op het jaagpad langs de Saar en wisselt de omgeving hoge pieken met diepe dalen af. Het ene moment geniet ik van absolute rust en stilte om twee minuten later langs de lelijke staalfabrieken van Saarstahl te fietsen. Omdat ik in Saarbrücken nog geen honger heb, beslis ik het ontbijt nog even uit te stellen en dat zal al snel een kapitale fout blijken. Want de komende paar tientallen kilometers is er langs de Saar geen enkele taverne te vinden die zo vroeg op zaterdagochtend al open is zodat ik een beetje zonder het te beseffen in Sarreguemines beland. Daar trekt het leven zich wel al op gang, maar ik ben wel de grens met Frankrijk overgestoken wat betekent dat het ontbijt bestaat uit zo’n gruwelijk hard stokbrood dat ik elke tandarts zou aanraden om te adverteren op de servetten waarin de broodjes gewikkeld worden. De uitbaatster van de parfumeriezaak naast de bakkerij waar ik het ontbijt neem is blijkbaar met het verkeerde been uit bed gestapt (of met het juiste been uit het verkeerde bed, dat zou ook kunnen) want ze maakt een hele scène omdat het achterwiel van mijn fiets zowaar voor 8,5 centimeter tegen de gevel van haar geparfumeerde topzaak geparkeerd staat. Een ogenblik overweeg ik om haar met de restanten van mijn stokbrood te lijf te gaan, maar ik besluit wijselijk om zo snel mogelijk verder te fietsen.

Een sterk staaltje industriële lelijkheid langs de boorden van de Saar.

Langs het Canal de la Sarre is het gelukkig een pak aangenamer fietsen.

Ik beklaag het mij niet want vanaf Sarreguemines volg ik het Canal de la Sarre. Het asfalt waarmee het jaagpad werd aangelegd is van wereldkwaliteit, plezierbootjes trekken rimpels in het water terwijl reigers en ooievaars alles van in het riet in de gaten houden. In Herbitzheim laat ik het Canal de la Sarre achter mij en begin aan de laatste fysiek uitdagende kilometers van mijn driedaagse. Vanaf Lutzelbourg wil ik immers eerst de Zorn en daarna het kanaal Marne-Rijn volgen, maar tussen Herbitzheim en Lutzelbourg liggen nog flink wat hoogtemeters te wachten. Door een bijna eindeloze rij minuscule dorpjes waarvan alle namen op ‘bourg’ eindigen flirt ik met het Parc naturel régional des Vosges du Nord. In elke steile afdaling trap ik me op de grootste versnelling de ziel uit het lijf om met flinke snelheid aan de volgende steile beklimming te beginnen. Daarna is het afschakelen-afschakelen-afschakelen tot ik de allerkleinste versnelling heb bereikt om dan bergop verder te krasselen. De afdaling naar Lutzelbourg in het Bos van Phalsbourg is zowel fysiek als mentaal een opsteker: ik weet immers dat het zwaarste van de driedaagse achter de rug is.

Brecht heeft het gravelrijden en bikepacken nog maar net ontdekt, maar amuseert zich al kostelijk op zijn Trek van vijfhonderd euro.

In Lutzelbourg word ik door de uitbaatster van een taverne brutaal weggejaagd omdat ik mijn fiets op haar terras wou parkeren, een terras waar trouwens niemand zit. “Geen probleem, mevrouw, ik vind wel iets anders”, antwoord ik als ik verkas naar de mobiele snackbar vlak naast het terras. Terwijl ik een joekel van een hamburger -inclusief alle vettige ‘bijlagen’- bestel, geraak ik aan de praat met Brecht. Afkomstig uit Oostduinkerke, maar hij woont in Gent en danst bij het collectief van Vuile Mong en de Vieze Gasten. Op een oude Trek reisfiets die hij voor vijfhonderd euro heeft gekocht én opgeknapt is hij onderweg naar Freiburg om er vrienden te bezoeken. “Ik ben het hele gravelriden en bikepacken nog aan het ontdekken, maar vind het de max om op deze manier te reizen. En als ik het te warm krijg, dan spring ik gewoon het kanaal even in”, lacht Brecht terwijl ik mijn hamburger en hij zijn frieten naar binnen werkt. Best opmerkelijk: in drie dagen fietsen ben ik eigenlijk geen enkele gelijkgestemde ziel tegengekomen, behalve nu, met de finish in zicht.

Om de twee kilometer kom je op de Zorn wel een dergelijke sluis tegen.

Ik ga als eerste weer op pad op het jaagpad dat me langs de Zorn en een resem sluisjes voert. Bij iedere sluis wordt een hoogteverschil van een paar meter overwonnen en telkens loopt het jaagpad een paar tientallen meters bergaf: ideaal om even te ‘herlanceren’. Niet dat ik mij nog moet opjagen: ik lig ruim voor op schema en geniet van de omgeving, de vissen die opspringen uit het water, de ooievaars in de velden en de hagedis die op het allerlaatste nippertje vlak voor mijn voorwiel nog het jaagpad oversteekt. In het fraaie Saverne verlaat ik de Zorn en rij langs het kanaal dat de Rijn met de Marne verbindt verder. Een veel breder kanaal met aan één kant van het water een verhard jaagpad en aan de andere kant een gravelpad. Ik speel een beetje haasje-over met het water en verdeel mijn trapkracht over asfalt en grint. Brecht is in Saverne zuidwaarts getrokken richting Freiburg, maar die ene zin (‘Als ik het te warm krijg, dan spring ik het kanaal in’) is in mijn hoofd blijven hangen. Kilometers lang speur ik naar een plek waar ik veilig in en uit het kanaal kan geraken en op een kilometer of acht van Straatsburg vind ik de ideale locatie. De fiets gaat aan de kant en ik hou enkel mijn fietsbroek aan. Eerst eventjes met de onderbenen in het water, dan kopje onder en daarna een paar keer over zwemmen: heerlijk!

Schipper mag ik over zwemmen ja of nee? Moet ik dan een broek aanhouden, ja of nee?

Tegen dat ik Straatsburg naar binnen rij is mijn fietsbroek door de warme rijwind alweer droog geblazen en met de hulp van de Sigma Rox 12.0 ga ik op zoek naar het Stade Tivoli waar jammer genoeg niks meer van over blijft. Toen de Association Sportif de Strasbourg -opgericht in 1890- in 2006 een nieuw voetbalstadion kreeg, werden de terreinen van het Stade Tivoli omgevormd tot een evenementenplein waar nu de kermis staat en een winkelcentrum wordt opgetrokken. Van op een bankje in het park tegenover het Stade Tivoli bekijk ik de lawaaierige attracties die de bezoekers hun adem laten inhouden, net zoals Eddy Merckx en Roger De Vlaeminck hier in 1971 een adembenemende strijd leverden. Op gravel, mijn favoriete attractie…

Bestemming bereikt. Jammer dat van het Stade Tivoli niks meer overblijft.

Benieuwd naar hoe de fiets het er van af bracht? Lees hier de 100% Getest van de Eddy Merckx Strasbourg 71.

Benieuwd naar de kleding en accessoires die we tijdens deze trip testten? Dat verhaal lees je hier.

Tags:

Gerelateerde artikels

dossiers Kufsteinerland: speeltuin voor fietsers
19/03/2018 - Luc Verdoodt

Kufsteinerland: speeltuin voor fietsers

Beschermd door de dikke muren van een imposante burcht ontwikkelde Kufstein zich sedert de Middeleeuwen tot een rijk handelsstadje. Het is nog altijd erg in trek bij dagjesmensen die houden van shoppen in een historisch kader. Door vooral te focussen op het culturele erfgoed bleef één toeristische troef lang onderbelicht: de ligging. Dankzij de vlakke vallei centraal tussen de Brandenberg Alpen en het Kaisergebergte, is de omliggende regio een natuurlijke speeltuin voor fietsers die het trippelverzetje graag afwisselen met de grote plateau. Kufsteinerland en de fietser, een prille maar veelbelovende vrijage.